ECLI:NL:CRVB:2004:AO9142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatmanwisseling en dagloonherziening bij volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met een bruto-daguitkering van 70% van het dagloon. De rechtbank Leeuwarden had het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat een maatmanwisseling niet aan de orde is bij volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt over de maatman en het dagloon opnieuw uiteengezet, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad bevestigde dat een maatmanwisseling pas relevant is bij herziening van een uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.
Verder wees de Raad op artikel 40 van Pro de WAO en de bestaande jurisprudentie, waaronder een uitspraak van 8 juli 2002, die bevestigen dat het dagloon niet kan worden herzien in de gegeven omstandigheden. Het beroep op artikel 44, eerste lid, van de WAO faalde omdat de toepassing daarvan reeds had plaatsgevonden voordat de arbeidsongeschiktheid toenam en als rechtens vaststaand moet worden aanvaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de vaststelling van de WAO-uitkering en het dagloon wordt ongegrond verklaard.