ECLI:NL:CRVB:2004:AO9142

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/48 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WAOArt. 44 lid 1 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatmanwisseling en dagloonherziening bij volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met een bruto-daguitkering van 70% van het dagloon. De rechtbank Leeuwarden had het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat een maatmanwisseling niet aan de orde is bij volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt over de maatman en het dagloon opnieuw uiteengezet, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad bevestigde dat een maatmanwisseling pas relevant is bij herziening van een uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.

Verder wees de Raad op artikel 40 van Pro de WAO en de bestaande jurisprudentie, waaronder een uitspraak van 8 juli 2002, die bevestigen dat het dagloon niet kan worden herzien in de gegeven omstandigheden. Het beroep op artikel 44, eerste lid, van de WAO faalde omdat de toepassing daarvan reeds had plaatsgevonden voordat de arbeidsongeschiktheid toenam en als rechtens vaststaand moet worden aanvaard.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de vaststelling van de WAO-uitkering en het dagloon wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

02/48 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 november 2001, nummer 00/141 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 februari 2004, waar appellant, zoals tevoren was bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen
mr. F. Swarts, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 21 januari 2000, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 1 oktober 1999 waarbij appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 22 november 1999 is gewijzigd en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en de bruto-daguitkering is bepaald op 70% van het dagloon van ƒ 158,04 = ƒ 102,43 per uitkeringsdag.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat een wisseling van maatman niet aan de orde is als iemand zoals appellant op medische gronden voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak uiteengezet waarom het dagloon niet op grond van het bepaalde in artikel 40 van Pro de WAO kan worden herzien.
Op die gronden heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt met betrekking tot de maatman en het dagloon wederom uiteengezet.
In hetgeen van de zijde appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Terecht heeft de rechtbank erop gewezen dat een beoordeling of er sprake is van een maatmanwisseling niet aan de orde is als een uitkeringsgerechtigde om medische redenen volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Een dergelijke beoordeling kan pas aan de orde zijn als een uitkering die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%, wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid wordt herzien.
Wat betreft de herziening van het dagloon heeft de rechtbank terecht gewezen op artikel 40 van Pro de WAO, de door de rechtbank genoemde beschikking op grond van artikel 40 van Pro de WAO en de jurisprudentie van de Raad die recentelijk is bevestigd in de uitspraak van de Raad van 8 juli 2002 gepubliceerd in RSV 2002/220 en USZ 2002/263.
Appellants in het beroepschrift aangevoerde grief met betrekking tot de toepassing van artikel 44, eerste lid van de WAO ziet eraan voorbij dat die toepassing in feite heeft plaatsgevonden voordat appellants arbeidsongeschiktheid toenam en dat in het kader van eerder genoemde beschikking die toepassing bij gebreke van een daartegen ingesteld rechtsmiddel als een rechtens vaststaand gegeven moet worden aanvaard.
De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.
(get.) K.J.S. Spaas
(get.) T.R.H. van Roekel