ECLI:NL:CRVB:2004:AO9159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid voor aanvang van uitzendarbeid
Appellant had met Randstad Uitzendbureau afgesproken om per 29 maart 1999 uitzendarbeid te verrichten, maar meldde zich ziek vóór aanvang van de werkzaamheden en heeft sindsdien geen arbeid verricht. Verweerder (Uwv) weigerde aanvankelijk een ziekengelduitkering en later een WAO-uitkering, stellende dat appellant reeds arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering of dat de arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na aanvang van de verzekering was ingetreden.
De rechtbank oordeelde dat appellant op het moment van ziekmelding niet als werknemer in de zin van de WAO verzekerd was, omdat hij de overeengekomen uitzendarbeid nooit daadwerkelijk heeft aangevangen. Hierdoor was geen WAO-verzekering tot stand gekomen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onjuiste motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het materieel niet tot een andere uitkomst zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De Raad overweegt dat de arbeidsongeschiktheid die appellant mogelijk had bij een eerdere uitzendovereenkomst buiten de reikwijdte van dit geding valt. De uitspraak bevestigt dat geen aanspraak op WAO-uitkering bestaat indien de verzekeringsrelatie niet daadwerkelijk is aangevangen.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WAO-uitkering omdat hij niet verzekerd was op het moment van arbeidsongeschiktheid.