ECLI:NL:CRVB:2004:AO9294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- T. Hoogenboom
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en redelijkheid van gedeeltelijke vervallenverklaring wachtgeld wegens niet-nakoming sollicitatieplicht
Appellant kreeg na ontslag een wachtgelduitkering toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Na wijzigingen in 2000 werd hij verplicht actief te solliciteren, tenzij hij een verklaring van zijn voormalige werkgever overlegde dat deze verplichting niet op hem van toepassing was. Appellant overhandigde geen dergelijke verklaring en werd daarom als sollicitatieplichtig aangemerkt.
Appellant stelde dat hij vanwege psychische klachten niet kon solliciteren en verwees naar psychologische rapporten en een medisch onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige. De Raad concludeerde echter dat deze klachten geen belemmering vormden om de sollicitatieplicht na te komen, mede omdat appellant gedurende tien maanden betaalde werkzaamheden verrichtte. De Raad oordeelde dat appellant de sollicitatieplicht niet was nagekomen en dat de Minister bevoegd was het wachtgeld gedeeltelijk te vervallen te verklaren.
De Raad vond echter dat de Minister onvoldoende rekening had gehouden met de verminderde verwijtbaarheid van appellant vanwege de medische omstandigheden en het feit dat hij tijdelijk werkte. Daarom werd de sanctie gehalveerd van 20% naar 10% gedurende 16 weken. De eerdere besluiten werden vernietigd en de vergoeding van betaalde griffierechten werd toegekend.
Uitkomst: De sanctie op het wachtgeld wordt verminderd tot 10% gedurende 16 weken wegens verminderde verwijtbaarheid.