ECLI:NL:CRVB:2004:AO9408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon en vervolgdagloon bij WAO-uitkering in geval van wisselende werkweek
De zaak betreft de vaststelling van het dagloon en vervolgdagloon voor een WAO-uitkering van een gedaagde die als reachheftruckchauffeur werkte met een vierdaagse werkweek van 38 uur. De appellant, het UWV, had het dagloon berekend op basis van het dervingsbeginsel uit artikel 14 van Pro de WAO, waarbij de verdiensten werden verdeeld over vijf werkdagen, ondanks dat de gedaagde feitelijk vier dagen per week werkte. De rechtbank Arnhem oordeelde dat de appellant de dagloonberekening volgens de Dagloonregelen WAO had moeten toepassen en vernietigde de besluiten.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat de Dagloonregelen WAO geen uitputtende regeling bieden en dat het dervingsbeginsel uit artikel 14 WAO Pro leidend is. De Raad oordeelt dat toepassing van de wisselend-loon-bepaling niet passend is in dit geval omdat dit tot een te hoog dagloon leidt dat niet overeenkomt met het feitelijke loonverlies van de gedaagde. De Raad bevestigt dat de appellant het dagloon op basis van het dervingsbeginsel mocht vaststellen en dat het resultaat van de berekening niet onaanvaardbaar is.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem en verklaart de inleidende beroepen ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat de berekening van het dagloon en vervolgdagloon door het UWV rechtmatig is, rekening houdend met de specifieke arbeidsomstandigheden van de gedaagde.
De uitspraak benadrukt het belang van het dervingsbeginsel bij de vaststelling van het dagloon in situaties waarin de standaardregels niet voorzien en bevestigt dat het UWV binnen die kaders een redelijke berekening mag maken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt de berekening van het dagloon door het UWV op basis van het dervingsbeginsel.