ECLI:NL:CRVB:2004:AO9413
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.G. Kasdorp
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolgingsstatus en onvoldoende bewijs
Eiser, geboren circa 1935 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster wees dit verzoek af omdat eiser niet als vervolgde in de zin van artikel 2 van Pro de Wet kon worden aangemerkt. Eiser stelde dat hij als kind getuige was geweest van de arrestatie van zijn vader door Japanse soldaten, maar kon dit niet met objectieve gegevens of getuigenverklaringen onderbouwen.
De Raad overwoog dat de vader van eiser na de bevrijding uit krijgsgevangenschap is teruggekeerd en in 1978 in Nederland is overleden, wat niet strookt met vervolging zoals bedoeld in de Wet. De Raad oordeelde dat de verweerster in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen en dat het beroep ongegrond is.
Daarnaast werd het beroep per e-mail ingediend zonder tijdige ondertekening, maar de Raad vond dit verzuim onvoldoende zwaarwegend om niet-ontvankelijkheid te rechtvaardigen, mede omdat de identiteit van eiser vaststond. De discretionaire bevoegdheid van verweerster om personen gelijk te stellen met vervolgden werd met terughoudendheid getoetst en het beleid als niet onredelijk beoordeeld.
De Raad wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe. Het vonnis werd uitgesproken op 8 april 2004 door voorzitter Kasdorp en leden Stevens en Geerling-Brouwer.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.