ECLI:NL:CRVB:2004:AO9478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en afwijzing bijzondere bijstand
Appellante ontving vanaf 1 december 1992 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na onderzoek bleek dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, waarvan zij de gemeente niet had geïnformeerd. De gemeente beëindigde daarom per 1 januari 2000 haar uitkering, herzag eerdere uitkeringen en vorderde onterecht ontvangen bedragen terug.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf deelden en een voldoende mate van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg bestond, waardoor sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens de ABW. Hierdoor had appellante geen recht op bijstand en was de terugvordering terecht.
Verder werd de aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand voor schulden afgewezen. De Raad vond geen dringende redenen, zoals bedoeld in de ABW, die een uitzondering op de bijstandsregels rechtvaardigen. De afwijzing van een saneringskrediet door de kredietbank werd niet als dringende reden erkend.
De Raad bevestigde het eerdere vonnis van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het besluit van de gemeente in stand dat de bijstand werd beëindigd, herzien en teruggevorderd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering werd terecht beëindigd en teruggevorderd wegens gezamenlijke huishouding; de aanvraag voor bijzondere bijstand werd terecht afgewezen.