ECLI:NL:CRVB:2004:AO9625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering uitkering op grond van artikel 61 Werkloosheidswet na prijsgeving loonvordering
Appellant had een loonvordering op zijn werkgever, maar stemde in met een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling waarbij hij 77,5% van zijn vordering prijsgaf en finale kwijting verleende. Gedaagde, het UWV, weigerde daarop een uitkering op grond van artikel 61 van Pro de Werkloosheidswet toe te kennen, omdat geen sprake was van een bestaande loonvordering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overweegt dat artikel 61 WW Pro alleen toepassing vindt indien de werknemer een bestaande vordering heeft op een werkgever die failliet is, surséance van betaling heeft, of een schuldsaneringsregeling heeft. Omdat appellant finale kwijting heeft verleend en geen vordering meer heeft, is geen recht op uitkering aanwezig.
Appellant voerde aan dat zijn recht op uitkering werd geschonden onder het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat hij gedwongen was akkoord te gaan met de regeling. De Raad oordeelt dat er geen inbreuk is op een “possession” in de zin van het EVRM, omdat de prijsgegeven vordering niet langer als een gerechtvaardigde verwachting kan worden aangemerkt. Het besluit wordt daarom bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellant geen bestaande loonvordering meer heeft na finale kwijting.