ECLI:NL:CRVB:2004:AP0292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- P.C. de Wit
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken aanvraag bijstand
Appellante meldde zich op 12 januari 2000 bij de gemeente Utrecht na beëindiging van haar uitzendwerkzaamheden. Zij werd verwezen naar het Gak voor een WW-uitkering. Pas op 20 juni 2000 vroeg zij een WW-uitkering aan, die werd afgewezen wegens onvoldoende gewerkte weken. Op 21 juni 2000 vroeg zij bijstand aan bij de gemeente, die deze toekende met ingang van die datum, maar niet met terugwerkende kracht vanaf 12 januari 2000.
Appellante maakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op haar vermeende aanvraag van 12 januari 2000, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake was van een daadwerkelijke aanvraag op die datum. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aanmelding op 12 januari 2000 niet als aanvraag om bijstand kan worden beschouwd. Appellante had na verwijzing naar het Gak niet ondubbelzinnig haar bijstandsaanvraag kenbaar gemaakt en heeft pas in juni 2000 daadwerkelijk aanvragen ingediend. Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op 12 januari 2000 is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de vermeende aanvraag van 12 januari 2000 is terecht niet-ontvankelijk verklaard.