ECLI:NL:CRVB:2004:AP0442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de gedifferentieerde WAO-premie en risicoaansprakelijkheid van werkgevers
In deze zaak, die voor de Centrale Raad van Beroep is behandeld, gaat het om de beoordeling van de gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 1999. Appellante, een werkgever, heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de premie door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De premieberekening is gebaseerd op een WAO-uitkering die aan een voormalig werknemer van appellante is toegekend. Appellante betwist dat deze uitkering relevant is voor de premie, omdat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer volgens haar niet is ontstaan tijdens zijn dienstverband.
De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 4 mei 2004 behandeld. De Raad oordeelt dat de werkgever geen verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, maar dat dit niet betekent dat de premieberekening onterecht is. De wetgeving, met name de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba), legt een risicoaansprakelijkheid bij werkgevers, ongeacht de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht, die het beroep van appellante ongegrond had verklaard.
De Raad benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen om bij de berekening van de gedifferentieerde premie rekening te houden met WAO-uitkeringen die op of na 1 januari 1993 zijn toegekend. Dit kan leiden tot premieverhogingen voor werkgevers, waar zij bij de toekenning van de uitkeringen geen rekening mee konden houden. Ondanks de onvrede van appellante over deze regeling, concludeert de Raad dat het hoger beroep niet kan slagen en bevestigt de eerdere uitspraak.