ECLI:NL:CRVB:2004:AP0442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging risicoaansprakelijkheid werkgever bij gedifferentieerde WAO-premie
Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar gedifferentieerde WAO-premie voor 1999, omdat zij meende dat de arbeidsongeschiktheid van haar werknemer niet tijdens het dienstverband was ontstaan. De werknemer leed aan epilepsie sinds zijn vierde levensjaar en was volgens appellante feitelijk al arbeidsongeschikt bij indiensttreding in 1990. De arbeidsongeschiktheid verslechterde echter pas in 1992, waarna de werknemer gedeeltelijk WAO-uitkering ontving en uiteindelijk in 1998 werd ontslagen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel. De Raad stelde vast dat het enkele feit dat de werknemer epilepsie had en medicatie gebruikte niet voldoende is om te concluderen dat hij al arbeidsongeschikt was bij indiensttreding. De gezondheidstoestand verslechterde pas in november 1992 zodanig dat gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontstond.
De Raad benadrukte dat de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) uitgaat van risicoaansprakelijkheid van werkgevers, ongeacht schuld of oorzaak van arbeidsongeschiktheid. Tevens is het een bewuste keuze van de wetgever om bij de premie berekening rekening te houden met WAO-uitkeringen toegekend vanaf 1 januari 1993, ook als deze nog geen vijf jaar hebben gelopen. Hierdoor kunnen werkgevers achteraf geconfronteerd worden met premieverhogingen.
Hoewel begrip bestaat voor de onvrede bij appellante, kan het hoger beroep niet slagen en wordt het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gedifferentieerde WAO-premie blijft ongewijzigd.