ECLI:NL:CRVB:2004:AP0497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/6167 ALGEM + 01/6169 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:690 BWArt. 3 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet Flexibiliteit en Zekerheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gezagsverhouding bij interimmanagement en privaatrechtelijke dienstbetrekking

De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een gedaagde gespecialiseerd in interim- en flexmanagement. Het Uwv had besloten dat twee betrokkenen vanaf 15 februari 1999 verzekeringsplichtig waren vanwege hun werkzaamheden voor gedaagde. De rechtbank 's-Gravenhage vernietigde deze besluiten en oordeelde dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat een gezagsverhouding ontbrak en de betrokkenen zelfstandig hun beroep uitoefenden.

In hoger beroep heeft het Uwv zich beperkt tot de vraag of er een gezagsverhouding bestaat tussen gedaagde en de betrokken interimmanagers. Het Uwv stelde dat aan de voorwaarden voor een dienstbetrekking was voldaan, waaronder gezag, arbeid en loon, en dat zelfstandigheid daaraan niet in de weg stond. De Raad heeft het oordeel van de rechtbank bevestigd en geoordeeld dat er geen werkgeversgezag is, mede omdat de interimmanagers hun werkzaamheden geheel naar eigen inzicht uitvoeren bij de opdrachtgever en de schaduwmanager van gedaagde slechts beperkte controle uitoefent.

De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven en veroordeelde het Uwv tot betaling van de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. De uitspraak werd op 27 mei 2004 in het openbaar uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen gezagsverhouding bestaat en dat de betrokken interimmanagers niet onder de verplichte werknemersverzekering vallen.

Uitspraak

01/6167 ALGEM
01/6169 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde]., gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 13 maart 2000 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 1 september 1999, inhoudende dat ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met ingang van 15 februari 1999 verzekeringsplicht is aangenomen ter zake van de werkzaamheden welke zij voor gedaagde hebben verricht.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 oktober 2001 de namens gedaagde tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de primaire besluiten herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat het bestuursorgaan het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 18 maart 2002 aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. Ph.A. De Koningh, advocaat te Maarssenbroek, bij schrijven van 11 april 2002 van verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv, terwijl voor gedaagde is verschenen haar statutair directeur M. Tuk, bijgestaan door mr. De Koningh, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde is gespecialiseerd in interim- en flexmanagement op hoger managementniveau. Met haar opdrachtgevers heeft zij managementovereenkomsten gesloten en vervolgens heeft zij in de onderhavige gevallen met de eenmanszaak [naam eenmanszaak 1] en met [naam eenmanszaak 2] interimmanagementovereenkomsten gesloten op grond waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: betrokkenen) de overeengekomen werkzaamheden bij de opdrachtgevers uitvoeren.
In de door gedaagde gehanteerde managementovereenkomsten is onder meer bepaald de duur van de overeenkomst, de wijze van beëindiging en de overeengekomen vergoedingen.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat aan alle voorwaarden voor het aan-nemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten gezag, arbeid en loon, is voldaan, terwijl eventuele zelfstandigheid van betrokkenen daaraan niet in de weg staat. Daarnaast is appellant van mening dat de onderhavige arbeidsverhoudingen, sedert de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid op 1 januari 1999, op basis van artikel 7:690 Burgerlijk Pro Wetboek juncto artikel 3 van Pro de sociale werknemersver-zekeringswetten het bestaan van de verplichte verzekering met zich brengt.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten zoals die blijken uit het dossier alsmede uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht onvoldoende grondslag bieden voor het aan-nemen van een gezagsverhouding en derhalve dat er geen sprake is van een privaat-rechtelijke dienstbetrekking. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat betrokkenen werkzaam zijn in de zelfstandige uitoefening van hun bedrijf of beroep zodat er evenmin sprake is van een met een dienstbetrekking gelijk te stellen arbeidsverhouding.
Ter zitting van de Raad heeft appellant het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot het antwoord op de vraag of er een gezagsverhouding aanwezig is tussen gedaagde enerzijds en betrokkenen anderzijds. Appellant heeft daarbij ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer benadrukt dat indien nodig gedaagde in zal grijpen ter bescherming van haar commerciële belangen, dat de interimmanagers gescreend worden op hun kwaliteiten en dat gedaagde de mogelijkheid heeft van bijsturing waarbij het ontbreken van inhoudelijke kennis geen beletsel behoeft te zijn.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het ontbreken van een gezagsverhouding. Ook de Raad is van oordeel dat gelet op de juridische en feitelijke omstandigheden waaronder de interimmanagers werkzaam zijn niet gesproken kan worden van werkgeversgezag van de zijde van gedaagde, in die zin dat werkopdrachten gegeven kunnen worden. De interimmanagers zijn belast met het management bij de opdrachtgever, en voeren die taak geheel naar eigen inzicht uit. Zij werken feitelijk ten kantore van de opdrachtgever, zodat gezagsuitoefening van de zijde van gedaagde ook uit dien hoofde niet direct voor de hand ligt. De ondersteuning van een schaduwmanager van gedaagde beperkt zich tot het af en toe navraag doen bij de opdrachtgever of de interim-manager voldoet aan de door de opdrachtgever gestelde eisen. Daarnaast is het gelet op het aantal interimmanagers (300) in verhouding tot het aantal schaduwmanagers (5) niet reëel voorstelbaar dat er werkgeversgezag kan worden uitgeoefend.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.