Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1394 WAOCON
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering dubbele WAO-uitkering zonder dringende redenen

Appellant ontving in januari 1998 per abuis twee keer een WAO-uitkering over dezelfde maand. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), vorderde de onverschuldigde betaling terug bij besluit van 19 juli 2000. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet duidelijk kon zijn dat hij door fouten van gedaagde dubbel was betaald, en dat dit aanleiding moest zijn om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat deze stelling geen dringende redenen oplevert zoals bedoeld in artikel 57 van Pro de WAO. De wetsgeschiedenis leert dat dringende redenen alleen kunnen bestaan uit onaanvaardbare gevolgen van terugvordering voor de verzekerde.

De fout van gedaagde is oorzaak van de terugvordering, maar vormt geen dringende reden om daarvan af te zien. De Centrale Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De terugvordering blijft daarmee rechtmatig.

Uitkomst: De terugvordering van de dubbele WAO-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende redenen zijn aangetoond.

Uitspraak

02/1394 WAOCON
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 januari 2002, nummer AWB 01/156 WAO V06, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 april 2004, waar appellant niet is verschenen, terwijl namens gedaagde als gemachtigde is opgetreden mr. N.L.A. Thomas, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellant in februari 1998 de uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) over de maand januari 1998, die hij in januari 1998 reeds als voorschot had ontvangen, nog eens is uitbetaald. Hierdoor heeft appellant over de maand januari 1998 twee keer uitkering ontvangen.
Bij besluit van 19 juli 2000 heeft gedaagde de onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAO van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 20 december 2000, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft onder meer overwogen dat artikel 57 van Pro de WAO, zoals dat luidt vanaf 1 augustus 1996, het bestuursorgaan verplicht tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd aan uitkering ingevolge die wet is betaald.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen dringende redenen, als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO zijn om van terugvordering af te zien.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
De Raad is van oordeel dat appellants stelling dat het hem niet duidelijk heeft kunnen zijn dat hij door fouten van gedaagde een dubbele betaling ontving -nog daargelaten of deze stelling juist is- geen dringende redenen als bedoeld in artikel 57 van Pro de WAO oplevert.
Onder meer in zijn uitspraak van 6 september 2002, 00/5423 WAO, gepubliceerd in USZ 2002/305, heeft de Raad geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis dringende redenen als bedoeld in artikel 57 van Pro de WAO slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.
De omstandigheid dat van de zijde van gedaagde een fout is gemaakt kan op zichzelf geen dringende reden opleveren. De fout van gedaagde is de oorzaak van de terugvordering en behoort niet tot de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.