ECLI:NL:CRVB:2004:AP0518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht fictieve dienstbetrekking tussen werkgever en werknemer
Appellante stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de arbeidsverhouding met betrokkene geen privaatrechtelijke dienstbetrekking was, maar een fictieve dienstbetrekking. De rechtbank had geoordeeld dat aan de voorwaarden voor een dienstbetrekking was voldaan, waaronder persoonlijk arbeid verrichten, loonbetaling en gezagsverhouding.
De Raad overwoog dat de arbeidsverhouding als fictieve dienstbetrekking moet worden aangemerkt op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten juncto artikel 3 van Pro het Koninklijk Besluit. De persoonlijke arbeid werd verricht voor een derde via appellante, die de loonbetalingsverplichting droeg.
De Raad nam de verklaring van het voormalig hoofd technische dienst van het bedrijf mee, waaruit bleek dat betrokkene werd aangestuurd door een voorman van het bedrijf en niet door appellante. Hierdoor kon de arbeidsverhouding niet als privaatrechtelijke dienstbetrekking worden aangemerkt.
Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zij het op andere gronden. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsverhouding als fictieve dienstbetrekking kwalificeert en verzekeringsplicht geldt.