Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0523

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/6305 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 87e Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vaststelling gedifferentieerde WAO-premie ondanks bezwaar werkgever

De zaak betreft een hoger beroep van een vennootschap onder firma tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De werkgever maakte bezwaar tegen premiebesluiten voor de jaren 1999, 2000 en 2001, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de werkgever eveneens ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de gedifferentieerde WAO-premie wordt vastgesteld op basis van de feitelijke toekenning van een WAO-uitkering en de datum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag binnen het dienstverband. De werkgever stelde dat zij niet adequaat kon reageren op de toekenning van de WAO-uitkering, maar dit bezwaar werd verworpen omdat artikel 87e van de WAO niet tegen haar kon worden toegepast, waardoor zij alsnog tegen de toekenning mocht opkomen.

De Raad stelt vast dat de medische en juridische gemachtigden van de werkgever de stukken hebben ontvangen maar geen inhoudelijke reactie hebben gegeven, waardoor moet worden uitgegaan van de juistheid van de toegekende WAO-uitkering. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie blijft gehandhaafd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/6305 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de vennootschap onder firma [naam vof], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen besluiten van 30 december 1998, 14 december 1999 en 4 december 2000, bij welke besluiten de door appellante verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is vastgesteld voor onderscheidenlijk de premiejaren 1999, 2000 en 2001.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 13 november 2002 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 maart 2003, ingediend.
Bij brief van 18 februari 2004 heeft gedaagde desverzocht overgelegd de bij het bestreden besluit gehandhaafde premiebesluiten.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 april 2004, waar voor appellante zijn verschenen haar vennoot K. Visbeen en mr. A.W.E.S. Franken, advocaat te Leiden, en waar voor gedaagde is verschenen H.C. van Dijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De bij het bestreden besluit gehandhaafde premiebesluiten zijn een uitvloeisel van de aan [betrokkene] met ingang van 26 oktober 1997 toegekende uitkering krachtens de WAO, welke uitkering in de jaren 1997 tot en met 1999 nog tot uitbetaling kwam.
Bij uitspraak van 8 juli 1999 heeft de rechtbank vernietigd het besluit van gedaagde van 9 maart 1999, waarbij ongegrond was verklaard het bezwaar van appellante tegen het premiebesluit van 30 december 1998 met betrekking tot het premiejaar 1999. Naar het oordeel van de rechtbank had gedaagde ten onrechte artikel 87e van de WAO appellante tegengeworpen.
Bij het thans besteden besluit heeft gedaagde wederom de bezwaren van appellante tegen het besluit van 30 december 1998 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde tevens ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen de inmiddels genomen premiebesluiten met betrekking tot de jaren 2000 en 2001.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
"De gedifferentieerde WAO-premie is een maatregel waarbij in beginsel alleen van belang is of de arbeidsongeschiktheidsuitkering daadwerkelijk is verstrekt en of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen binnen het dienstverband. De in de Wet Pemba neergelegde bepalingen zijn strikt geformuleerd en geven geen mogelijkheid om daarvan af te wijken. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van [betrokkene] viel op 28 oktober 1996, dus binnen het dienstverband met eiseres. De uitkering is daarom terecht aan eiseres toegerekend bij de bepaling van de gedifferentieerde premie.
De stelling van eiseres dat zij bij de toekenning van de WAO-uitkering niet adequaat kon reageren is correct, maar dat is nu juist waarom haar bij de thans aan de orde zijnde procedure artikel 87e van de WAO niet wordt tegengeworpen. Dat wil zeggen dat zij, anders dan werkgevers die wel op de hoogte zijn gesteld van en bezwaar konden maken tegen dergelijke toekenningsbesluiten, ook in het kader van de bepaling van de gedifferentieerde premie nog mocht opkomen tegen de juistheid van de toekenning en de hoogte van het recht op WAO-uitkering. Uit de stukken blijkt dat zowel de arts-gemachtigde als de juridisch gemachtigde van eiseres de medische stukken ter zake van de WAO-uitkering van [betrokkene] hebben ontvangen. Geen van de gemachtigden heeft naar aanleiding van deze stukken een (medisch) inhoudelijke reactie gegeven. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de toegekende WAO-uitkering."
De Raad verenigt zich met deze overwegingen van de rechtbank en heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, geen aanknopingspunten kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.
(get.) G. van der Wiel
(get.) R.E. Lysen