ECLI:NL:CRVB:2004:AP1527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4941 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit 3/80Art. 4 Besluit 3/80Art. 8:75 AwbEG-Verordening 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aanspraak Turkse grensarbeider op Nederlandse werkloosheidsuitkering op grond van Besluit 3/80

Appellant, een Turkse grensarbeider woonachtig in Nederland en werkend in Duitsland, werd na ontslag geweigerd een Nederlandse werkloosheidsuitkering toe te kennen. Hij beriep zich op Besluit 3/80 dat discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt en stelde aanspraak te maken op een uitkering onder dezelfde voorwaarden als Nederlandse onderdanen.

De Raad overwoog dat artikel 3 van Pro Besluit 3/80 uitsluitend ziet op nationale wetgeving en niet op communautaire verordeningen zoals EG-Verordening 1408/71. Het verschil in behandeling dat appellant ervaart vloeit voort uit de toepassing van EG-regelgeving en niet uit nationale bepalingen die Turkse onderdanen anders behandelen dan Nederlanders.

De Raad verwierp het beroep op directe werking van artikel 4 van Pro Besluit 3/80 en oordeelde dat het besluit niet leidt tot een aanspraak op Nederlandse werkloosheidsuitkeringen voor Turkse grensarbeiders die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een Nederlandse werkloosheidsuitkering op grond van Besluit 3/80.

Uitspraak

01/4941 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 augustus 2001, nr. AWB 99/1670 WW Z, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 april 2004, waar namens appellant is verschenen mr. de Roy van Zuydewijn, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Huiskamp, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is op 20 augustus 1964 in Turkije geboren en bezit de Turkse nationaliteit. In 1971 is hij met zijn ouders vanuit Turkije naar Duitsland verhuisd. Aldaar heeft appellant een opleiding gevolgd en vanaf 1981 is hij in Duitsland, met enkele onderbrekingen, werkzaam geweest tot 22 maart 1999. Nadat hij in oktober 1996 was gehuwd met een in Nederland woonachtige vrouw is appellant verhuisd naar Nederland, alwaar hij sindsdien woont.
Met ingang van 22 maart 1999 is appellant door zijn Duitse werkgever ontslagen, omdat hij niet beschikte over een "grensgangerspas". Nadat het Duitse uitvoeringsorgaan had geweigerd een werkloosheidsuitkering aan appellant toe te kennen heeft hij een aanvraag om een Nederlandse werkloosheidsuitkering ingediend bij gedaagde.
Bij besluit van 4 mei 1999 heeft gedaagde afwijzend op deze aanvraag beslist, overwegende dat appellant geen aanspraak kan ontlenen aan EG-Verordening 1408/71, omdat hij niet de nationaliteit heeft van een van de lidstaten van de Europese Unie of de EER. De namens appellant tegen dit besluit aangevoerde bezwaren heeft gedaagde bij beslissing op bezwaar van 27 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij is ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 3 van Pro het Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (hierna: Besluit 3/80), overwogen dat uit de formulering van dit artikel voortvloeit dat in de nationale wetgeving geen onderscheid mag worden gemaakt naar nationaliteit, maar dat daaruit niet afgeleid kan worden dat toepassing van Besluit 3/80 ertoe dient te leiden dat appellant onder de personele werkingssfeer van EG-Verordening 1408/71 valt.
De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat artikel 4, eerste lid, onder g, van Besluit 3/80, inhoudende dat werkloosheidsuitkeringen onder de materiële werkingssfeer van Besluit 3/80 vallen, rechtstreekse werking heeft, zodat een beroep kan worden gedaan op dat Besluit. Voorts is aangevoerd dat het beginsel van gelijke behandeling als omschreven in artikel 3 van Pro Besluit 3/80 materieel moet worden benaderd. Dit betekent volgens appellant dat wanneer een Nederlander in zijn positie recht zou hebben op een Nederlandse werkloosheidsuitkering hij ook dat recht heeft. Daarbij is ter zitting van de Raad verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 6 november 2003, C-311/01, Commissie/Nederland, RSV 2004/51. Tevens is namens appellant -ter ondersteuning van zijn standpunt- nog verwezen naar de arresten van het Hof van 15 januari 2002, C-55/00, Gottardo, RSV 2002/176, en van
28 april 2004, C-373/02, Öztürk.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is ook in hoger beroep slechts in geschil of appellant op grond van Besluit 3/80 aanspraak kan maken op een Nederlandse werkloosheidsuitkering vanaf
22 maart 1999.
Namens appellant is allereerst een beroep gedaan op artikel 4 van Pro Besluit 3/80, in welk artikel is bepaald dat dit Besluit van toepassing is op alle wettelijke regelingen met betrekking tot -onder meer- werkloosheidsuitkeringen. De Raad stelt ten aanzien van dit beroep voorop dat uit rechtsoverweging 60 van het hiervoor genoemde arrest van
28 april 2004 (Öztürk) voortvloeit dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft. Voorts vermag de Raad niet in te zien welke betekenis aan deze bepaling toegekend zou moeten worden voor de aanspraak op een (Nederlandse) werkloosheidsuitkering, indien deze wel rechtstreeks werkend zou zijn, nu in Besluit 3/80 -anders dan in EG-Verordening 1408/71- geen nadere bepalingen omtrent de vaststelling van de aanspraak op werkloosheidsuitkeringen zijn opgenomen.
Voorts heeft appellant een beroep gedaan op artikel 3 van Pro Besluit 3/80. In dit artikel is bepaald dat personen die op het grondgebied van een van de lidstaten wonen en op wie de bepalingen van Besluit 3/80 van toepassing zijn de rechten en verplichtingen hebben, voortvloeiend uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens de bijzondere bepalingen van dat Besluit. Zoals het Hof al eerder heeft overwogen betekent het in deze bepaling vervatte beginsel dat op het toepassingsgebied van Besluit 3/80 niet mag worden gediscrimineerd naar nationaliteit, zodat in de wettelijke regeling van een lidstaat voor de verlening van een recht aan een Turks onderdaan geen nadere of striktere voorwaarden mogen worden gesteld dan aan eigen onderdanen. De Raad is met gedaagde van oordeel dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op nationale -in casu Nederlandse- bepalingen welke voor Turkse onderdanen andere of striktere eisen stellen voor de aanspraak op een werkloosheidsuitkering dan voor eigen onderdanen. Het namens appellant gesignaleerde verschil in behandeling tussen Nederlandse en Turkse onderdanen heeft echter geen betrekking op een in de nationale Nederlandse wetgeving geregeld verschil in voorwaarden voor de aanspraak op uitkering, doch op een uit de toepassing van EG-Verordening 1408/71 voortvloeiend verschil in behandeling. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 november 1994 (RSV 1995/217) ten aanzien van een soortgelijke bepaling in de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko, is niet aannemelijk te achten dat artikel 3 van Pro Besluit 3/80 er mede toe strekt elk onderscheid naar nationaliteit tussen onderdanen van lidstaten van de EU en onderdanen van Turkije die zich binnen de gemeenschap verplaatsen weg te nemen. In de laatste, namens appellant verdedigde, opvatting zouden bovendien de meeste van de nader in Besluit 3/80 opgenomen bepalingen overbodig zijn, aangezien dan de overeenkomstige voorschriften in de EG-regelgeving reeds uit kracht van het verbod van discriminatie naar nationaliteit op binnen de gemeenschap verblijvende Turkse onderdanen van toepassing zouden zijn.
Hetgeen namens appellant voorts is aangevoerd onder verwijzing naar de hiervoor genoemde arresten Commissie-Nederland en Gottardo, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Indien op grond van het arrest Commissie-Nederland aangenomen kan worden dat voor de volledig werkloze grensarbeider sprake is van een originair recht op een werkloosheidsuitkering ten opzichte van de woonstaat, dan nog is dat recht gebaseerd op het communautaire recht en is geen sprake van een aanspraak krachtens de nationale bepalingen als bedoeld in artikel 3 van Pro Besluit 3/80. Voorts was in het arrest Gottardo een geheel ander verschil in behandeling aan de orde dan in deze procedure, te weten een op een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid met een derde staat gebaseerde gunstiger behandeling van onderdanen van een lidstaat, welke behandeling niet aan onderdanen van andere lidstaten werd toegekend.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
RG