ECLI:NL:CRVB:2004:AP1530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Arbeidsverhouding regisseurs en producent musical niet op basis van arbeidsovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of de regisseurs van de musicals Elisabeth en Fame in dienst waren van de producent [naam B.V.] op grond van een arbeidsovereenkomst. De regisseurs hadden zelf het concept ontwikkeld en dit ter productie aangeboden aan [naam B.V.], waarna zij met grote artistieke vrijheid het regieconcept verder uitwerkten.
De rechtbank had geoordeeld dat één regisseur wel en de andere niet in dienst was, maar in hoger beroep vernietigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en oordeelde dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De Raad stelde vast dat het vereiste werkgeversgezag ontbrak, mede omdat geen aanwijzingen waren van toezicht of leiding door [naam B.V.] op het artistieke werk van de regisseurs.
Ook de door [naam B.V.] aangevoerde contractuele bepalingen, waaronder een clausule over het niet zonder toestemming onttrekken van spelers, waren volgens de Raad onvoldoende om werkgeversgezag aan te nemen. Het hoger beroep van [naam B.V.] werd verworpen, het beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd bevestigd en het besluit van 9 juni 2000 werd vernietigd.
De Raad veroordeelde Uwv tot betaling van proceskosten en bepaalde dat Uwv een nieuw besluit moet nemen. Hiermee werd bevestigd dat de regisseurs als zelfstandigen en niet als werknemers hun werkzaamheden verrichtten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de regisseurs niet in dienst waren van de producent en vernietigt het besluit dat [naam B.V.] premieplichtig achtte.