ECLI:NL:CRVB:2004:AP1548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsverhouding interimmanager als privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant voerde werkzaamheden uit voor een besloten vennootschap in de periode van 1 december 1997 tot 30 maart 1998. De vraag was of deze werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening waren verricht, dan wel dat sprake was van een arbeidsverhouding die gelijkgesteld moet worden aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De rechtbank Breda had reeds geoordeeld dat appellant niet als zelfstandige kon worden aangemerkt, mede op basis van criteria uit het Convenant tussen BV25 en RIM en de circulaire van de SVR. Appellant erkende het ontbreken van essentiële zelfstandigheidskenmerken zoals een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, debiteurenrisico, meerdere opdrachtgevers, zelfstandige acquisitie en beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat appellant financieel en economisch afhankelijk was van één opdrachtgever en zich niet op de markt begaf om andere opdrachten te verwerven. De enkele aanschaf van hardware/software weegt niet op tegen deze afhankelijkheid.
Hierdoor is sprake van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 van Pro het Koninklijk Besluit, die gelijkgesteld wordt aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking, en niet van zelfstandigheid zoals bedoeld in artikel 8 van Pro dat besluit.
De Raad ziet geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant was niet zelfstandig maar werkzaam in een arbeidsverhouding gelijkgesteld aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking.