ECLI:NL:CRVB:2004:AP1637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardering vakantiebonnen bij onregelmatige verstrekking in socialezekerheidsrecht
Appellant betwistte de correctheid van de waardering van vakantiebonnen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de jaren 1995 tot en met 1998, waarbij de waarde van de bonnen tegen de volle nominale waarde werd gesteld vanwege onregelmatige verstrekking.
De rechtbank had het beroep van appellant reeds ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat appellant al tijdens looncontroles over de jaren 1990 tot en met 1994 was gewezen op de onregelmatigheden in de verstrekking van de vakantiebonnen. Appellant had niet tijdig zijn werkwijze aangepast en kon zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het dwingend recht betreft en dat de waardering van vakantiebonnen bij onregelmatige verstrekking volgens de geldende ministeriële regeling tegen de nominale waarde moet plaatsvinden. Het beroep van appellant wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat vakantiebonnen bij onregelmatige verstrekking tegen nominale waarde moeten worden gewaardeerd en wijst het beroep van appellant af.