ECLI:NL:CRVB:2004:AP1659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid bestuurder wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en betalingsonmacht premies
Appellant was bestuurder van een besloten vennootschap die in 1994 failliet werd verklaard. Gedaagde stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk voor onbetaalde premies over de jaren 1991 tot en met 1994, wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
Appellant voerde aan dat de rechtbank zich baseerde op ongefundeerde beschuldigingen, waaronder antedatering van stukken, en betwistte de aantijgingen van onttrekkingen en financiële transacties. Gedaagde wijzigde zijn standpunt over de termijn van drie jaar voorafgaand aan de melding van betalingsonmacht en stelde dat alleen bestuurshandelingen in die periode relevant zijn.
De Raad overwoog dat uit diverse stukken, waaronder een definitieve veroordeling wegens valsheid in geschrifte en andere strafbare feiten, voldoende steun bestaat voor het oordeel dat appellant kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd. De Raad verwierp de bezwaren van appellant wegens gebrek aan onderbouwing en bevestigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijk aansprakelijkheid van appellant wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.