ECLI:NL:CRVB:2004:AP2039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Terugvordering gedeeltelijk onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen en toepassing zes-maanden-jurisprudentie
De zaak betreft de terugvordering van een bedrag van ruim 44.000 gulden dat door het UWV onverschuldigd was betaald aan gedaagde op grond van de WAO over de periode van 26 mei 1997 tot 1 juni 2000. De rechtbank Zwolle had het besluit van het UWV vernietigd omdat het UWV de terugvordering niet had beoordeeld volgens het oude recht met toepassing van de zes-maanden-jurisprudentie voor betalingen vóór 1 augustus 1998.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV verplicht was de terugvordering te beperken tot zes maanden na een eerste signaal van onjuistheid van de uitkering. De Raad stelt vast dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat gedaagde vóór 31 juli 1998 een relevant signaal heeft gegeven, en dat de gesprekken die zij noemt niet met de juiste afdeling van het UWV zijn gevoerd. Verder is vastgesteld dat de wezenlijke wetswijziging in het terugvorderingsregime per 1 augustus 1996 en niet per 1 augustus 1998 heeft plaatsgevonden.
De Raad concludeert dat het UWV verplicht was tot volledige terugvordering zonder toepassing van de zes-maanden-jurisprudentie, tenzij er dringende redenen zijn om daarvan af te zien. Omdat geen dringende redenen zijn vastgesteld en gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een relevant signaal, wordt het hoger beroep van gedaagde ongegrond verklaard en het hoger beroep van het UWV gegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van het UWV blijft in stand.