de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, tevens gedaagde, hierna te noemen: appellant
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, tevens appellante, hierna te noemen: gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 juli 2000 heeft appellant van gedaagde een bedrag van f 44.872,23 teruggevorderd wegens over de periode van 26 mei 1997 tot 1 juni 2000 gedeeltelijk onverschuldigd betaalde uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij besluit van 1 maart 2001, hierna: bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van
13 juli 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 4 juli 2001, nr. AWB 01/408 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.
01/1471 WAO
Appellant heeft, op bij aanvullend beroepschrift van 27 september 2001 aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Namens gedaagde heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Nederland N.V., een verweerschrift ingediend, gedateerd 25 oktober 2001.
Bij brief van 28 november 2001 heeft appellant de Raad bericht dat aan het bestreden besluit een andere motivering ten grondslag wordt gelegd.
01/4383 WAO
Gedaagde heeft op zijn beurt hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 juli 2001. De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn uiteengezet bij schrijven van 3 augustus 2001.
Appellant heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 12 oktober 2001.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Bakker, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde – met voorafgaand bericht – niet is verschenen.
Ter zitting van de Raad is het onderzoek geschorst.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 27 mei 2003 appellant verzocht hem te berichten over het door appellant te verrichten nader onderzoek.
Appellant heeft hieraan voldaan bij brief van 19 augustus 2003. Van de zijde van gedaagde is hierop gereageerd bij schrijven van 1 september 2003 (met bijlage).
Bij brief van 25 augustus 2003 heeft appellant nog enige stukken overgelegd, terwijl bij schrijven van 7 oktober 2003 appellant op verzoek van de Raad een nader stuk heeft overgelegd alsmede nadere vragen heeft beantwoord.
De gedingen zijn vervolgens ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 april 2004, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.
Gedaagde, op dat moment werkzaam als ziekenverzorgster gedurende een wisselend aantal uren per week, is op
21 november 1995 voor die werkzaamheden uitgevallen met rug- en schildklierklachten. Appellant heeft gedaagde met ingang van 19 november 1996 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 maart 1997 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de AAW ingaande 26 mei 1997 ingetrokken en gedaagdes uitkering ingevolge de WAO met ingang van diezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft gedaagde geen rechtsmiddelen aangewend. Voorts heeft appellant gedaagde ingaande 26 mei 1997 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend naar een gemiddeld arbeidsurenverlies van 21,12 uur per week.
Gedaagde heeft in 1999 hervat in ander werk bij een andere werkgever en is na enige tijd ook voor deze werkzaamheden uitgevallen. Nadat gedaagde ter zake van deze uitval de wachttijd van 52 weken had doorlopen, is appellant gebleken dat de uitbetaling van gedaagdes arbeidsongeschiktheidsuitkering na het besluit van 27 maart 1997 niet was aangepast, waardoor aan gedaagde over de periode van 26 mei 1997 tot 1 juni 2000 deels ten onrechte uitkering is betaald. Dit is gedaagde bij brief van 24 mei 2000 meegedeeld. In die brief is gedaagde tevens meegedeeld dat het bedrag dat door haar te veel is ontvangen zal worden teruggevorderd. Gedaagde heeft op deze brief gereageerd met een brief van 25 mei 2000. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 13 juli 2000 heeft appellant een bedrag ad f 44.872,23 van gedaagde teruggevorderd. Daarbij heeft appellant overwogen geen dringende reden aanwezig te achten om van terugvordering af te zien. Naar aanleiding van een verzoek van gedaagde om het juiste terugvorderingsbedrag kenbaar te maken en dit te specificeren heeft appellant gedaagde bij brief van 21 juli 2000 – onder toezending van een specificatie – meegedeeld dat het juiste terugvorderingsbedrag f 46.595,58 bedraagt, maar dat het besluit van 13 juli 2000 ongewijzigd van kracht blijft. Bij het bestreden besluit heeft appellant het tegen het besluit van 13 juli 2000 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij voor verweerder appellant moet worden gelezen en voor eiseres gedaagde:
“Verweerders besluit stoelt – uitsluitend – op het bepaalde in artikel 57 WAO zoals dit artikel per 1 augustus 1998 luidt en waarbij een wezenlijke verandering door de wetgever is aangebracht in het terugvorderingsregime. Vóór genoemde datum was sprake van een bevoegdheid en was die bevoegdheid beperkt in de tijd. Sedert genoemde datum is verweerder, behoudens in geval van dringende redenen verplicht om tot terugvordering over te gaan.
Gelet op het geldende overgangsrecht had verweerder de terugvordering, voorzover betrekking hebbend op voor 1 augustus 1998 gedane betalingen, dienen te beoordelen aan de hand van het oude recht. Dit heeft verweerder niet gedaan en het besluit dient dan ook om deze reden vernietigd te worden. Dit betekent dat verweerder terzake een nieuwe beslissing op bezwaar zal dienen te nemen. Verweerder dient zich daarbij te realiseren dat tot 1 augustus 1998 ook aan de orde was, dat terugvordering zich tot zes maanden diende te beperken in het geval verweerder op de hoogte was van het feit dat teveel werd betaald doch niet tijdig – dat wil zeggen binnen zes maanden – actie werd ondernomen. In dit verband merkt de rechtbank, ter voorkoming van nodeloze nieuwe procedures, thans reeds op dat verweerder weliswaar in zijn brief
d.d. 19 juni 2001 stelt dat uit de administratie niet blijkt dat eiseres heeft aangegeven een te hoge WAO-uitkering te ontvangen, doch dit staat haaks op de excuusbrief die verweerder eiseres op 3 juli 2000 heeft gestuurd en waarin met zoveel woorden is gesteld: “Uit de beschouwing van het dossier blijkt dat niet adequaat is gereageerd op signalen die de terugvordering hadden kunnen voorkomen.” Verweerder zal zich hieromtrent dan ook nader dienen te beraden. Voor wat betreft de terugvordering vanaf 1 augustus 1998 geldt dat verweerder verplicht is tot terugvordering over te gaan en met verweerder ziet de rechtbank geen dringende redenen om van die terugvordering af te zien. De wetgever heeft immers nadrukkelijk gekozen voor een systeem waarin, ook als er door de uitvoeringsinstelling fouten worden gemaakt, tot volledige terugvordering moet worden overgegaan. Bij het begrip “dringende redenen” is gedacht aan situaties waarin als gevolg van bijzondere aspecten van het individuele geval onaanvaardbare gevolgen zouden optreden bij realisering van de terugvordering. Gelet op het voorgaande zal verweerder een nieuwe berekening moeten maken van hetgeen van eiseres wordt teruggevorderd.”
Hoger beroep van appellant (01/4171 WAO)
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de terugvordering, voor zover betrekking hebbend op voor 1 augustus 1998 gedane betalingen, beoordeeld had dienen te worden aan de hand van het oude recht en dat daarbij de zogeheten zes-maanden- jurisprudentie had moeten worden toegepast. Over de toepassing van de zes-maanden-jurisprudentie heeft appellant – onder overlegging van een memo van
6 juni 2000 – het volgende aangevoerd:
“Er was een vreemde situatie ontstaan met betrekking tot de al dan niet toepasselijkheid van de zes-maanden-termijn bij terugvordering.
? Tot 1 augustus 1996 gold de zes maandentermijn onverkort;
? Van 1 augustus 1996 tot 19 februari 1997 (Lisv-besluit herziening en intrekking) gold deze termijn niet;
? Van 19 februari 1997 tot 1 augustus 1998 was de zes-maanden-termijn wel van toepassing, vanwege het Besluit herziening en intrekking uitkering;
? Na 1 augustus 1998 is de zes-maanden-termijn volgens het Lisv niet meer van toepassing.
Het Lisv heeft onderkend dat met dit beleid geen recht wordt gedaan aan de heersende jurisprudentie waarin is neergelegd dat aanspraken moeten worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken betrekking hebben. Het Lisv is dan ook akkoord gegaan met het toch toepassen van de zes-maanden-termijn – ondanks het met ingang van 1 augustus 1988 herziene Besluit herziening en intrekking – in gevallen waarin sprake is van een degelijk significant signaal en een stilzittende administratie die daardoor de terugvordering heeft doen oplopen. Uitgangspunt is dat het gaat om zaken waarbij het terugvorderingsbesluit na 1 augustus 1998 werd genomen waarin zich op uiterlijk 31 juli 1998 een eerste signaal heeft voorgedaan. Deed het eerste signaal zich op of na 1 augustus 1998 voor, dan dient aan het bovenstaande voorbij gegaan te worden en wordt de terugvordering niet beperkt. Uit nadere informatie blijkt dat het LISV dit “beleid” min of meer alleen voor het GAK vastgesteld. …Binnen Cadans is er aanvankelijk ook niets mee gedaan. Dit is later gewijzigd toen op de afdeling Bezwaar en Beroep bekend werd dat het GAK een afwijkend beleid hanteerde. Vanuit een oogpunt van rechtsgelijkheid is besloten om dit volgen.”
Het beleid toepassend op het onderhavige geval heeft appellant geconcludeerd dat het eerste signaal zich niet op uiterlijk
31 juli 1998 heeft voorgedaan.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant doel treft. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat de door de rechtbank aangebrachte “knip” in de terugvordering per 1 augustus 1998 niet juist is, nu de (zoals de rechtbank het noemde) wezenlijke verandering in het terugvorderingsregime zich niet heeft voorgedaan per 1 augustus 1998 maar per
1 augustus 1996. Nu in het onderhavige geval de totale terugvordering betrekking heeft op bedragen die zijn betaald op of na 1 augustus 1996, betekent dit dat op de gehele terugvordering artikel 57 van de WAO zoals dit luidt sinds 1 augustus 1996 van toepassing is. Hieruit volgt dat – voor de gehele periode van de onderhavige terugvordering – geen sprake meer is van een bevoegdheid maar van een verplichting tot terugvordering en dat daarvan slechts kan worden afgezien indien sprake is van een dringende reden.
De Raad laat in het onderhavige geval in het midden of het appellant op en na 1 augustus 1996 nog vrij stond op een of andere wijze toepassing te geven aan de zes-maandentermijn, nu de Raad met appellant van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zich op uiterlijk 31 juli 1998 een eerste signaal heeft voorgedaan en gedaagde derhalve sowieso niet aan de voorwaarden voor toepassing van het zes-maanden-beleid voldoet. De Raad heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat van de door gedaagde in haar brief van 25 mei 2000 genoemde telefoongesprekken met medewerkers van appellant in de periode van 27 maart 1997 tot 9 maart 2000 slechts twee gesprekken relevant kunnen zijn voor het onderhavige geding, te weten het gesprek van 25 juni 1997 en dat van 27 augustus 1997. Gelet op het feit dat de herziening van de uitkering eerst is ingegaan op 26 mei 1997 en derhalve eerst na die datum sprake is van deels ten onrechte betaalde uitkering, acht de Raad het uitermate onwaarschijnlijk dat gedaagde in de door haar genoemde gesprekken vóór 25 juni 1997 (25 maart 1997, 2 april 1997 en 4 april 1997) deze kwestie aan de orde heeft gesteld, zoals zij stelt in haar brief van 25 mei 2000. De gesprekken na 27 augustus 1997 zijn om de door appellant in de in rubriek I genoemde brief van 7 oktober 2003 genoemde reden niet relevant. Wat de inhoud is geweest van de twee mogelijk relevante telefoongesprekken staat niet vast, nu van de zijde van appellant daarvan geen telefoonnotities zijn gemaakt. De vraag of voldoende aannemelijk is dat gedaagde in die telefoongesprekken een significant signaal heeft afgegeven waarop van de zijde van appellant onvoldoende alert is gereageerd, beantwoordt de Raad ontkennend nu is komen vast te staan dat het niet gaat om gesprekken met een of meer medewerkers van de WAO-afdeling van het Uwv.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.
Hoger beroep van gedaagde (01/4383 WAO)
Gedaagde heeft in hoger beroep aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een dringende reden om van terug-vordering af te zien. Daarbij heeft gedaagde gesteld dat zij veelvuldig en duidelijk signalen aan appellant heeft gegeven dat haar uitkering wellicht niet correct is berekend en dat appellant hierop nimmer adequaat heeft gereageerd.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Nog daargelaten dat, zoals de Raad hierboven heeft overwogen, onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een relevant signaal van gedaagde richting appellant, zodat niet kan worden gesproken van stilzitten van gedaagde, heeft de Raad al in zijn uitspraak van 9 mei 2003 (RSV 2003/187) overwogen dat stilzitten van appellant geen dringende reden oplevert, nu stilzitten ziet op de oorzaak van de terugvordering en niet op de eventueel onaanvaardbare consequenties daarvan.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van gedaagde niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Centrale Raad van Beroep,
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2004.