ECLI:NL:CRVB:2004:AP2041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering onverschuldigde WAO- en AAW-uitkeringen
Appellant werd geconfronteerd met terugvorderingsbesluiten van onverschuldigd betaalde WAO- en AAW-uitkeringen over respectievelijk 1997 en 1995. Hij maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar diende deze bezwaren buiten de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaren. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat geen omstandigheden waren die de termijnoverschrijding konden verontschuldigen op grond van artikel 6:11 Awb Pro.
De Raad nam daarbij in aanmerking dat appellant pas ruim drie weken na ontvangst van het besluit bezwaar maakte en dat hij ondanks ziekte geen maatregelen had getroffen om tijdige kennisname van de besluiten te waarborgen. De Raad concludeerde dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn en dat het bestreden besluit terecht in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verontschuldiging.