ECLI:NL:CRVB:2004:AP2596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken ziekte of gebrek volgens medische criteria
Appellant verzocht om een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit af omdat hij niet gedurende de vereiste wachttijd arbeidsongeschikt was door ziekte of gebrek. De rechtbank verklaarde het bezwaar deels gegrond en vernietigde het eerdere besluit, maar oordeelde dat appellant niet arbeidsongeschikt was per de relevante datum.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel na bestudering van medische rapporten en adviezen van onafhankelijke deskundigen, waaronder een psychiater en een internist. Hoewel de klachten van appellant reëel en serieus zijn, was er geen eenduidige medische onderbouwing voor een ziekte of gebrek die arbeidsongeschiktheid veroorzaakte.
De Raad verwees naar de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (Maoc), die stelt dat bij moeilijk objectiveerbare aandoeningen zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom alleen bij vrijwel unanieme en goed gemotiveerde medische deskundige opinies arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen. Dit was niet het geval, waardoor de afwijzing van de WAO-uitkering standhield.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische onderbouwing bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van objectief medisch vastgestelde arbeidsongeschiktheid.