ECLI:NL:CRVB:2004:AP2615

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5057 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot niet-ontvankelijkheid wegens te laat ingediend bezwaarschrift afgewezen

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar van gedaagde tegen een besluit van 23 oktober 2001 gegrond verklaarde vanwege een verschoonbare termijnoverschrijding.

De Raad beoordeelde of het besluit van appellant om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de zeswekentermijn op juiste gronden was genomen. De rechtbank had geoordeeld dat gedaagde als privaat persoon niet gehouden was zijn adreswijziging door te geven, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde anders en stelde vast dat het besluit correct was bekendgemaakt aan het adres waar gedaagde stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De redenen voor het te laat indienen, waaronder het feit dat gedaagde niet meer op dat adres verbleef en dat zijn ex-echtgenote zijn post had vernietigd, waren niet toereikend om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het bezwaarschrift als te laat ingediend en niet-ontvankelijk werd beschouwd.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is te laat ingediend zonder verschoonbare redenen, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard.

Uitspraak

03/5057 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 5 november 2003 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 3 september 2003 gewezen uitspraak, nummer 02/4103, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, bij schrijven van 29 december 2003 van verweer gediend.
Namens appellant is hierop gereageerd bij brief van 27 januari 2004.
Het geding is, gevoegd met het geding onder nummer 03/5075 CSV, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. de Graaf, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Siekman, voornoemd.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant gedaagde bij besluit van 24 juli 2002 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat gedaagde bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat gedaagde niet in verzuim is geweest.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard onder vaststelling dat het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 oktober 2001 weliswaar te laat is ingediend, maar gedaagde als privaat persoon niet gehouden was de wijziging in zijn privé-adres aan appellant door te geven. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Anders dan de rechtbank overweegt de Raad als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant het besluit van 23 oktober 2001 op juiste wijze bekend heeft gemaakt door dit aangetekend te verzenden naar het adres [adres], zijnde het adres waarop gedaagde op dat moment stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Voorts stelt de Raad vast dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
Met appellant is de Raad van oordeel dat het door gedaagde aangevoerde argument voor het te laat indienen van het bezwaarschrift in de bezwaarprocedure geen toereikende redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de Raad liggen de argumenten dat gedaagde feitelijk niet meer op voornoemd adres verbleef en zijn ex-echtgenote, aan wie hij de behandeling van de aan hem gerichte post had toevertrouwd, om haar moverende redenen zijn post heeft vernietigd in de risicosfeer van gedaagde en de gevolgen daarvan dienen voor rekening en risico van gedaagde te komen.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.