ECLI:NL:CRVB:2004:AP2751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks medische beperkingen appellant
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 21 maart 2000, omdat hij meent dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen zoals rugklachten, artrose en tremor. De Raad van bestuur van het UWV had de uitkering ingetrokken op basis van een medische beoordeling dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch oordeel van het UWV juist was. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Uit het medisch dossier blijkt dat verzekeringsartsen de beperkingen zorgvuldig hebben beoordeeld, waarbij ook rekening is gehouden met de tremor, ondanks dat hiervoor geen duidelijke diagnose was. Appellant heeft geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die een ernstiger beperking aantonen.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de functies die appellant geacht wordt te kunnen vervullen medisch verantwoord zijn. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarom gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de medische beperkingen van appellant voldoende zijn meegewogen en hij geschikt wordt geacht voor arbeid.