ECLI:NL:CRVB:2004:AP2902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering WAO-uitkering wegens termijnoverschrijding
Appellante werd geconfronteerd met een terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen over de periode 1998-2001. Gedaagde, het UWV, had een besluit genomen tot terugvordering, dat op 27 maart 2001 werd verzonden en op 24 april 2001 opnieuw met gewijzigde datumstempel. Appellante diende bezwaar in op 18 mei 2001, na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en vernietigde het bestreden besluit, waarna zij ambtshalve het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaarde. In hoger beroep stelde appellante dat zij tijdig bezwaar had gemaakt en dat toezeggingen van een medewerker van het UWV haar tot het late bezwaar hadden gebracht.
De Raad oordeelde dat het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2001 te laat was ingediend en dat geen voldoende bewijs bestond voor een verschoonbare termijnoverschrijding. Het schrijven van 24 april 2001 werd niet als een nieuw besluit beschouwd, zodat tegen dat schrijven geen bezwaar openstond. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de terugvordering van de WAO-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.