ECLI:NL:CRVB:2004:AP3014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WAO-uitkering ondanks medische beperkingen appellant
Appellant, die sinds 1994 uitviel met pijnklachten aan handen en schouder, ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) handhaafde per 5 november 2000 deze uitkering ongewijzigd, ondanks bezwaar en beroep van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn medische situatie was verslechterd en dat de hem voorgelegde functies niet passend waren vanwege zijn beperkingen in hand- en vingergebruik en nekklachten. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht geen deskundige hoefde te benoemen, omdat de medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor een verslechtering sinds 1999.
De Raad concludeerde dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig en volledig was, waarbij ook de bevindingen van neuroloog Feenstra en Thomas werden meegewogen. De functies die appellant kon verrichten, zoals assemblagemedewerker en medewerker handmontage, vereisten geen krachtig handgereedschap of langdurige nekfixatie, passend bij zijn beperkingen.
Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd voort te zetten.