ECLI:NL:CRVB:2004:AP3026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% verlies verdiencapaciteit
Appellante, die na een auto-ongeval haar werkzaamheden als schoonmaakster moest staken, verzocht om een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat het verlies aan verdiencapaciteit op de peildatum minder dan 15% bedroeg. De arbeidsdeskundige had drie passende functies geselecteerd waarvan de mediane loonwaarde hoger was dan het maatmaninkomen van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat er geen medische gegevens waren die de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts tegenspraken. Ook de geschiktheid van de voorgehouden functies werd bevestigd, waarbij het vervallen van één functie niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank en wijst de grieven van appellante af. De Raad acht de medische onderbouwing van het besluit juist en stelt dat de voorgehouden functies medisch passend zijn. Ook de alternatieve functies die kunnen worden ingezet bij het vervallen van een functie leiden niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De weigering van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% verlies aan verdiencapaciteit.