ECLI:NL:CRVB:2004:AP4574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet melden inkomsten uit handel in planten
Appellant ontving een bijstandsuitkering en verrichtte in de periode van 1 januari 1996 tot en met 23 november 1998 werkzaamheden als groenknipper en toeleverancier van takken. Deze inkomsten heeft hij niet gemeld aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, wat een schending van de inlichtingenplicht oplevert. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek is het recht op uitkering ingetrokken en is de bijstand teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel voor het gedeelte van de periode vóór 1 juli 1997 vanwege een onjuiste wettelijke grondslag. De Raad oordeelt dat appellant geen recht had op bijstand in de gehele periode vanwege het niet melden van inkomsten, maar dat het besluit tot intrekking over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 niet op de juiste wettelijke basis berust.
De Raad laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand en veroordeelt de gemeente Rucphen tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Appellant heeft onvoldoende bewijs geleverd om het recht op bijstand vast te stellen, waardoor de terugvordering en intrekking gerechtvaardigd zijn.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering voor de periode 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.