Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP4603

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5733 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken beroepsgronden

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht. De Centrale Raad van Beroep wees appellant erop dat een griffierecht van €87,- verschuldigd was en dat betaling binnen vier weken moest plaatsvinden. Ondanks meerdere aanmaningen werd het griffierecht niet betaald, waardoor het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard.

Daarnaast bevatte het beroepschrift geen gronden van beroep, hetgeen volgens artikel 6:5 Awb Pro vereist is. Appellant kreeg meerdere kansen om dit te herstellen, maar liet deze termijnen voorbijgaan. Hierdoor werd het hoger beroep ook op deze grond niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad zag geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro, dat in uitzonderlijke gevallen herstel kan toestaan. De uitspraak werd op 14 mei 2004 door mr. J. Janssen namens de Centrale Raad van Beroep gedaan.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5733 TW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht (reg. nr. AWB 02/1646 TW SEE) op 10 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van Pro de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 2 december 2003 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van € 87,- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte accept-girokaart.
Bij aangetekende brief van 23 december 2003 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep uit dien hoofde kennelijk niet-ontvankelijk.
De Raad overweegt voorts ten overvloede het volgende.
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.
Bij schrijven van 2 december 2003 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Bij aangetekend schrijven van 5 januari 2004 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan leiden.
Appellant heeft deze termijnen ongebruikt laten voorbijgaan.
Nu op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat appellant met betrekking tot het indienen van de gronden van het beroep niet in verzuim is geweest, is het hoger beroep ook uit dien hoofde niet-ontvankelijk.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.