ECLI:NL:CRVB:2004:AP4736

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3003 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • T. Hoogenboom
  • J.Th. Wolleswinkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 12 Reglement functionerings- en beoordelingsgesprekken provincie Zuid-Holland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beoordelingsbesluit wegens strijd met reglement provincie Zuid-Holland

Appellant was sinds 1971 werkzaam bij de provincie Zuid-Holland en was vanaf 15 november 1996 geplaatst als hoofd sectie Ondersteuning. Na een functioneringsgesprek in mei 1997 waarin kritiek werd geuit, volgde een beoordelingsgesprek in januari 1999 over de periode van november 1996 tot september 1997. Deze beoordeling werd vastgesteld ondanks bezwaren van appellant. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar ongegrond verklaard en een wijzigingsbesluit genomen.

Appellant stelde in hoger beroep dat het vaststellen van de beoordeling misbruik van bevoegdheid betrof en dat het beoordelingsbesluit geen redelijk doel diende. De Raad oordeelde dat het beoordelingsbesluit en het wijzigingsbesluit in strijd waren met artikel 12 van Pro het Reglement functionerings- en beoordelingsgesprekken van de provincie Zuid-Holland, omdat geen concreet rechtspositioneel besluit voor ogen was en de beoordeling geen redelijk doel diende.

De Raad vernietigde het bestreden besluit, het wijzigingsbesluit en het primaire beoordelingsbesluit van 26 april 1999. Tevens werd de provincie Zuid-Holland veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een goede onderbouwing van rechtspositionele besluiten en de beperking van de beoordelingsbevoegdheid tot redelijke doelen.

Uitkomst: Het beoordelingsbesluit en gerelateerde besluiten zijn vernietigd wegens strijd met het reglement en de provincie is veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

02/3003 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 maart 2002, nr. AWB 01/114 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D. Koningen, juridisch adviseur te 's-Gravenhage.
Namens gedaagden is verschenen mr. W.F. Schovers, advocaat te Prinsenbeek.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Vanaf 1971 is appellant werkzaam geweest in (het middenkader van) de provincie Zuid-Holland. Na plaatsingsproblemen in verband met een reorganisatie in 1991 en afwezigheid wegens ziekte is appellant met ingang van 15 november 1996 geplaatst in de functie van hoofd sectie Ondersteuning van de afdeling Beheer en Onderhoud van de directie Economie en Verkeer (DEV).
1.2. Op 22 mei 1997 heeft de chef van appellant een functioneringsgesprek met hem gehouden. Daarin heeft die chef enige kritiek geuit op het functioneren van appellant en heeft appellant onder meer gesteld dat hij zich door de chef tamelijk bedreigd voelde. Besloten is het gesprek binnen een termijn van drie weken voort te zetten waarvoor vijf punten van gesprek werden genoteerd.
1.3. Appellant heeft zich kort nadien ziek gemeld. Raadpleging van de bedrijfsarts leidde tot een advies van een psycholoog, waaruit de bedrijfsarts in april 1998 de conclusie trok dat er twee kanten opgegaan kon worden: indien gedaagden appellant rehabiliteren moet hij in staat worden geacht weer op zijn oude niveau (1991) te functioneren, indien rehabilitatie niet plaatsvindt is elke poging om appellant weer inzetbaar te maken in het arbeidsproces gedoemd te mislukken.
Met ingang van 5 oktober 1998 heeft een detachering plaatsgevonden bij het Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf (Proav) die op 21 december 1998 een abrupt einde heeft gekregen door beëindiging van de kant van Proav.
1.4. Vervolgens heeft de directeur van de DEV aan de afdelingschef van appellant verzocht een beoordeling op te maken. Dat heeft die chef in januari 1999 gedaan; als beoordelingsperiode is in aanmerking genomen de periode van 15 november 1996 tot
1 september 1997. Op 11 januari 1999 is, buiten aanwezigheid van appellant maar in aanwezigheid van zijn (toenmalige) raadsman, een beoordelingsgesprek gevoerd. Ondanks de tegen die opgemaakte beoordeling geuite bedenkingen heeft de directeur van de DEV, kennelijk namens gedaagden, bij besluit van 26 april 1999 de beoordeling ongewijzigd vastgesteld. Na een uitgebreide bezwaarprocedure is uiteindelijk bij besluit van 12 december 2000 (bestreden besluit) het bezwaar tegen de beoordeling ongegrond verklaard. Bij nader besluit van 29 januari 2001 is bepaald dat op het beoordelingsfor-mulier een bepaalde passage wordt vervangen door een nader aangegeven tekst.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de stelling van appellant dat gedaagden met het vaststellen van de beoordeling hebben gehandeld in strijd met het in artikel 3:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verbod van "détournement de pouvoir" verworpen.
3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw gesteld dat gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid of misbruik van de omstandigheden door het vaststellen van de beoordeling. Van een "normale" beoordeling was naar appellants oordeel geen sprake.
4. Namens gedaagden is betoogd dat niet gesteld kan worden dat het bestreden besluit is genomen met een ander doel voor ogen en op een andere grond dan waarop het genomen had behoren te worden.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. In artikel 12 van Pro het hier toepasselijke Reglement functionerings- en beoordelings-gesprekken provincie Zuid-Holland is bepaald - naast het voorschrift dat er periodiek met het personeel een beoordelingsgesprek wordt gevoerd - dat een beoordelingsgesprek eveneens wordt gevoerd indien de leiding van een dienst voornemens is aan gedaagden een voorstel te doen om een besluit te nemen aangaande de rechtspositie van de ambtenaar waarbij diens wijze van functievervulling (mede)bepalend is. Als voorbeelden worden genoemd verlenging van een tijdelijk dienstverband op proef, aanstelling in vaste dienst, plaatsing in een hogere schaal, het niet toekennen van een periodieke salarisverhoging en het toekennen van meer dan één periodieke salarisverhoging.
Voorts is bepaald dat de beoordeling geschiedt tegen de achtergrond van de functie van de ambtenaar in het afgelopen tijdvak van maximaal drie jaar.
5.2. Evenvermeld artikel 12 geeft Pro niet alleen een ruime bevoegdheid maar legt zelfs een verstrekkende verplichting op om een beoordeling op te maken. De Raad ziet in het voorschrift een waarborg voor de ambtenaar: rechtspositionele besluiten (waarvoor de wijze van functievervulling (mede) bepalend is) dienen goed (met een beoordeling) onderbouwd genomen te worden. De bevoegdheid (en verplichting) van gedaagden is echter niet onbegrensd; het artikel verschaft gedaagden geen vrijbrief om zonder goede reden een beoordeling te doen opmaken en vast te stellen. Vereist is dat er een voor-nemen is bij de dienstleiding om aan gedaagden een voorstel te doen om jegens de ambtenaar een rechtspositioneel besluit te nemen waarbij diens wijze van functiever-vulling (mede) bepalend is.
In het licht van de strekking van artikel 12 zal Pro niet de eis gesteld kunnen worden dat de dienstleiding voorafgaande aan de beoordeling reeds een concreet rechtspositioneel besluit voor ogen heeft. De uitkomst van de beoordeling zal daarvoor immers veelal (mede) van belang zijn.
Niet dan bij grote uitzondering zal dus geconcludeerd moeten worden dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 12. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien met het opmaken en vaststellen van de beoordeling geen enkel redelijk doel is gediend.
5.3. In het onderhavige geval komt de Raad tot de conclusie dat met het openmaken en vaststellen van de beoordeling geen enkel redelijk doel wordt gediend. Daartoe acht hij van belang dat blijkens de aan het beoordelingsformulier gehechte opmerkingen de beoordeling is opgemaakt op verzoek van de directeur DEV zonder dat is aangegeven welk rechtspositioneel besluit die directeur voornemens was te nemen terwijl ook niet enige andere indicatie is gegeven waartoe de beoordeling zou kunnen leiden. Vermeld is: "De beoordeling is een nadere uitwerking van het functioneringsgesprek van 22 mei 1997 en het verloop van de gebeurtenissen daarna." Hierin kan de Raad niet een voldoende grondslag zien voor het opmaken, eerst en nog in 1999, van een beoordeling over het kortdurende functioneren in de in het verdere verleden liggende periode van
15 november 1996 tot 1 september 1997. Daarbij betrekt de Raad dat blijkens het verslag van de behandeling van het bezwaar de betrokken afdelingschef bij die behandeling heeft uitgelegd dat eigenlijk nog geen beoordeling aan de orde was, dat eerst een tweede gesprek zou plaatsvinden, maar dat de directeur DEV hem later verzocht om toch een beoordeling uit te brengen.
Ook ter zitting is namens gedaagden niet meer naar voren gebracht dan dat de beoor-deling was gericht op het nemen van rechtspositionele maatregelen en dat men toch een dossier moet vormen om tot maatregelen te kunnen komen.
Hiermee is (ook) de Raad niet duidelijk geworden welk redelijk doel werd gediend met het opmaken en vaststellen van de onderhavige beoordeling. De Raad merkt tot slot en niet in de laatste plaats op dat ook de overige omstandigheden van het geval juist geen basis boden voor het vaststellen van de beoordeling: appellant was al langere tijd ziek geweest en mislukt herplaatst, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit hadden gedaagden reeds een 'advies functieongeschiktheid' aangevraagd en ten tijde van het nemen van het nadere besluit van 29 januari 2001 hadden gedaagden reeds een functie-ongeschiktheidsadvies ontvangen, waarna appellant ook met ingang van 1 maart 2001 wegens ziekte is ontslagen.
6. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit (en het wijzigingsbesluit van 29 januari 2001) wegens strijd met artikel 12 van Pro het Reglement functionerings- en beoordelingsgesprekken provincie Zuid-Holland in rechte geen stand kan houden en moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten, moet worden vernietigd. Omdat het primaire beoordelingsbesluit van 26 april 1994 eveneens niet kan worden gehandhaafd en het aan dat besluit klevende gebrek niet kan worden geheeld, zal de Raad, zelf voorziende, ook dat besluit vernietigen.
7. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en € 18,26 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal op € 984,26.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit en tegen het besluit van 29 januari 2001 gegrond en vernietigt die besluiten, alsmede het besluit 26 april 1999;
Veroordeelt gedaagden in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 984,26, te betalen door de provincie Zuid-Holland;
Bepaalt dat de provincie Zuid-Holland aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.
HD
1.06
Q