ECLI:NL:CRVB:2004:AP5660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W.P. van der Hoeven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 8 april 2000. De Raad van bestuur van het UWV, als opvolger van het LISV, verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing. In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name een vermeende depressie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor een depressie op de datum in geding en dat nader psychologisch onderzoek niet noodzakelijk was. De Raad vond, net als de rechtbank, dat appellante met haar beperkingen in staat was de voorgestelde functies te verrichten en minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De Raad verwierp het verweer dat de psychische belasting in de functies hoger was dan de vastgestelde belastbaarheid van appellante. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De WAO-uitkering werd derhalve terecht ingetrokken.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was.