ECLI:NL:CRVB:2004:AP6570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onttrekking aan anticumulatie door directeur-grootaandeelhouder
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een B.V., ontving een WAO-uitkering terwijl hij tevens werkzaamheden verrichtte voor zijn eigen bedrijf zonder zichzelf salaris toe te kennen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) startte een onderzoek naar zijn inkomsten na ontvangst van een vragenformulier en constateerde dat appellant zich onttrok aan de anticumulatiebepalingen van de WAO door geen salaris te ontvangen, waardoor hij zichzelf verrijkte.
Op basis van fiscale gegevens, waaronder een compromis met de Belastingdienst over fictief loon, stelde het Uwv het inkomen van appellant vast en trok de WAO-uitkering met terugwerkende kracht in. Appellant voerde aan dat hij slechts geringe werkzaamheden had verricht en dat het compromis onverantwoord was vanwege de slechte financiële situatie van de B.V., maar de Raad oordeelde dat appellant in zijn positie had kunnen beslissen geen salaris te ontvangen en dat het Uwv terecht de fiscale gegevens gebruikte.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet tijdig te melden dat hij werkzaam was als zelfstandige en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet was geschonden door de terugwerkende intrekking. De terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering was een wettelijke verplichting, en er was geen dringende reden om hiervan af te zien. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht en de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering worden bevestigd.