Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP7977

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3153 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over onvoldoende bewijs reiskostenvergoeding in looncontrole

Appellant stelde dat een deel van het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) geconstateerde loonverschil over 1996 een reiskostenvergoeding betrof die niet als loon moest worden meegerekend. Tijdens een looncontrole in april 2000 werd een verschil van fl. 1.051,-- vastgesteld tussen de financiële administratie en de loonadministratie. Appellant claimde dat fl. 735,-- hiervan een reiskostenvergoeding was, maar kon dit niet met schriftelijke stukken onderbouwen.

De looninspecteur had geen melding gemaakt van onkostenvergoedingen ondanks inzage in de kas/bank/giroboek van appellant. De loonstrook van de betrokken medewerkster toonde geen aanwijzingen voor een reiskostenvergoeding. Hierdoor kon de Raad niet anders concluderen dan dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het loonverschil te hoog was vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die het beroep van appellant ongegrond had verklaard. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd op 30 juni 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de reiskostenvergoeding, waardoor het loonverschil terecht is vastgesteld.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/3153 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft J. Bolhuis FB, belastingadviseur te Drachten, hoger beroep ingesteld bij de Raad tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, kenmerk 02/40 ALGEM, waarbij het beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 29 november 2001 ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H.C. van Dijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij een looncontrole gehouden april 2000 heeft gedaagde geconstateerd dat er verschillen zijn, aangaande de jaren 1996, 1997 en 1998, tussen de, door appellant, werkelijk netto uitbetaalde lonen volgens de financiële administratie en de nettolonen volgens de loonadministratie. Naar aanleiding van deze constatering heeft gedaagde over die jaren correctienota's verzonden en een verzuim geregistreerd. In geding is het geconstateerde verschil betreffende het jaar 1996. Gedaagde heeft een verschil geconstateerd van fl. 1.051,--. Appellant bestrijdt dit, stellende dat van dit bedrag fl. 735,-- betreft een reiskostenvergoeding aan een van haar medewerksters, zodat slechts een verschil van fl. 316,-- aanwezig was.
De Raad overweegt als volgt.
Tijdens genoemde looncontrole heeft de looninspecteur geen melding gemaakt van verstrekte onkostenvergoedingen, hoewel hij inzage heeft gehad in appellants kas/bank/giroboek. Naar de stelling van appellant is in dit kas/bank/giroboek de betaling van genoemd bedrag opgenomen als zijnde reiskostenvergoeding, maar deze stelling heeft appellant niet met schriftelijke stukken onderbouwd. Uit de wel in geding gebrachte stukken, waaronder de loonstrook met cumulatieve gegevens over 1996 van de betrokken medewerkster, blijkt niet van een reiskostenvergoeding.
De Raad kan uit bovenstaande gegevens geen andere conclusie trekken dan dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het door gedaagde geconstateerde verschil in nettobetalingen in 1996 op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.