ECLI:NL:CRVB:2004:AP8129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J.B.J.M. ten Berge
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens gegrond vermoeden ontbreken recht op uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot schorsing van zijn WAO-uitkering per 1 september 2000, omdat er vermoedens waren dat hij niet langer recht had op deze uitkering. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad toetste of er op het moment van schorsing sprake was van een gegrond vermoeden dat appellant geen recht meer had op de uitkering, met name vanwege het ontbreken van een privaatrechtelijke gezagsverhouding tussen appellant en zijn ex-echtgenote, die eigenaar was van het restaurant waar appellant werkzaam was geweest. Uit rapporten van de Opsporingsdienst Regio West van Gak Nederland en aanvullende bevindingen bleek dat appellant aanzienlijk meer betrokken was bij de bedrijfsvoering dan hij zelf had erkend.
De Raad oordeelde dat het gegronde vermoeden voldoende was voor schorsing van de uitkering in afwachting van een definitief besluit. De ontkenningen van appellant stonden op gespannen voet met de bevindingen uit de opsporingsrapporten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens gegrond vermoeden dat appellant geen recht meer heeft op de uitkering.