ECLI:NL:CRVB:2004:AP8165
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens bestaande algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellante, geboren in 1949, werkte vanaf 1 oktober 1999 als inpakster in WSW-verband. Zij viel op 31 januari 2000 uit wegens psychische en lichamelijke klachten. De verzekeringsarts concludeerde dat haar klachten dateren van vóór haar indiensttreding en dat zij reeds bij aanvang van de WAO-verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante voor geen enkele arbeid geschikt was.
Gedaagde weigerde op 28 december 2000 een WAO-uitkering toe te kennen, gebruikmakend van de bevoegdheid om aanspraken geheel en blijvend buiten aanmerking te laten op grond van artikel 30, eerste lid, van de WAO. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat de medische gegevens voldoende onderbouwing boden voor het oordeel dat appellante bij aanvang van de WAO-verzekering al volledig arbeidsongeschikt was. Het feit dat appellante in WSW-verband werkte, werd gezien als onderdeel van een therapeutisch traject en bood geen aanleiding tot een ander oordeel.
Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens bestaande algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.