ECLI:NL:CRVB:2004:AP8310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch. J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Ontslag in proeftijd en weigering ziekengeld wegens bestaande arbeidsongeschiktheid
Gedaagde trad op 15 juni 1999 in dienst als schilder en werd in de proeftijd op 14 juli 1999 ontslagen. Gedaagde meldde zich ziek wegens beenklachten, waarna een onderzoek naar zijn recht op ziekengeld werd ingesteld. Diverse medische rapportages, waaronder van een verzekeringsarts en een forensisch psychiater, stelden vast dat gedaagde leed aan een ernstige psychiatrische stoornis die al bij aanvang van de verzekering bestond en het duurzaam verrichten van arbeid onmogelijk maakte.
Appellant verleende aanvankelijk een besluit tot toekenning van ziekengeld, maar trok dit besluit de volgende dag in omdat het onderzoek nog liep. Uiteindelijk werd het ziekengeld geweigerd op grond van artikel 44 van Pro de Ziektewet. Gedaagde maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze weigering, stellende dat het intrekkingsbesluit onbevoegd was genomen en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens motiveringsgebrek, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het intrekkingsbesluit rechtsgeldig was en dat appellant terecht het ziekengeld had geweigerd. De medische rapportages boden voldoende grondslag voor het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering bestond, waardoor weigering van ziekengeld gerechtvaardigd was.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van appellant ongegrond, waarmee het besluit tot weigering van ziekengeld in stand bleef.
Uitkomst: De Raad verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond en bevestigt de weigering van ziekengeld wegens bestaande arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.