ECLI:NL:CRVB:2004:AP9250

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2955 NABW + 04/3030 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 69 AbwArt. 78 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over terugvordering van ten onrechte verleende bijstandsuitkering wegens pensioeninkomsten

Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin werd vastgesteld dat zij in de periode van mei 1998 tot augustus 2000 ten onrechte bijstand had ontvangen omdat pensioeninkomsten niet waren gekort. Gedaagde besloot de teveel betaalde bijstand terug te vorderen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

De rechtbank had het eerdere terugvorderingsbesluit vernietigd wegens het ontbreken van een herzieningsbesluit, waarna gedaagde een nieuw besluit op bezwaar nam dat als rechtsgeldig werd aangemerkt. Appellante stelde dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, onder meer vanwege gezondheidsproblemen en zorg voor zieke ouders.

De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden niet voldeden aan de hoge drempel van artikel 78, derde lid, Abw, die terugvordering alleen kan matigen bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het nieuwe besluit het eerdere verving en het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe terugvorderingsbesluit ongegrond.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2955 NABW
04/3030 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft M.A. van Beek, wonende te Vlaardingen, op de bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam op 19 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. NABW 01/2061, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 mei 2004, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde M.A. Verbeek en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 januari 2001 heeft gedaagde appellante medegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat zij inkomsten uit pensioen heeft, welke over het jaar 2000 niet zijn gekort op haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
In de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2000 is haar ten onrechte bijstand verleend tot een netto bedrag van f 978,32. Gedaagde heeft besloten dit bedrag aan bijstand van haar terug te vorderen op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw.
Bij besluit van 1 februari 2001 heeft gedaagde appellante bericht dat zij (in verband met inkomsten uit pensioen) in de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 december 1999 ten onrechte bijstand heeft ontvangen tot een bruto bedrag van
f 2.082,22.
Gedaagde heeft besloten dit bedrag aan bijstand van haar terug te vorderen op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw.
De door appellante tegen die besluiten gemaakte bezwaren zijn door gedaagde bij het besluit van 21 augustus 2001 (het bestreden besluit) in die zin gegrond verklaard, dat de ten onrechte verleende bijstand in de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 december 1999 en in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2000 netto wordt teruggevorderd.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat gedaagde met betrekking tot beide perioden in geding geen herzieningsbesluiten heeft genomen, zodat het bestreden terugvorderingsbesluit wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag een deugdelijke basis ontbeert.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde een nieuw besluit op bezwaar van 22 juli 2002 overgelegd, welk besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.
Bij dat besluit heeft gedaagde het recht op bijstand over de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 december 1999 en over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 augustus 2000 herzien op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw, en de in die perioden ten onrechte verleende bijstand netto teruggevorderd.
De Raad merkt het besluit van 22 juli 2002 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu ter zitting is gebleken dat met dit besluit niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, dient de Raad gelet op artikel 6:19 in Pro verbinding met artikel 6:24 van Pro de Awb tevens het besluit van 22 juli 2002 in zijn beoordeling te betrekken.
De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 22 juli 2002 geheel in de plaats is getreden van het eerdere besluit van
21 augustus 2001. In die omstandigheid heeft appellante geen procesbelang meer bij het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 22 juli 2002 overweegt de Raad als volgt.
Namens appellante is erkend dat gedaagde bij dat besluit de bijstandsuitkering van appellante op goede gronden heeft herzien en dat gedaagde op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw in beginsel gehouden is de teveel betaalde bijstand van appellante terug te vorderen. Appellante is echter van mening dat er in haar geval dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk van terug- vordering af te zien. Appellante is in ieder geval van opvatting dat gedaagde haar niet voldoende is tegemoetgekomen door te besluiten de teveel verleende kosten van bijstand over de in geding zijnde perioden netto in plaats van bruto terug te vorderen.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 78, derde lid, van de Abw dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen indien terugvordering ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie heeft. Het moet dan om iets bijzonders of uitzonderlijks gaan en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkene tot onaanvaardbare, sociale en/of tot financiële consequenties leidt.
De Raad ziet in de namens appellante aangevoerde omstandigheden - het feit dat niet zij maar gedaagde een fout heeft gemaakt, en het feit dat zij destijds veel problemen heeft gehad met haar gezondheid en de zorg had voor haar zieke ouders - geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 22 juli 2002 ongegrond moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juli 2002 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004.
(get.) Th.C. van Sloten
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg