ECLI:NL:CRVB:2004:AP9431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijzondere bijstand en oplegging maatregel wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante was tot 1 maart 2001 werkzaam bij Pelgrim Blokker en beëindigde haar arbeidsverhouding op eigen initiatief zonder concreet uitzicht op ander werk. Zij vroeg op 26 maart 2001 een WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Vervolgens vroeg zij bijstand aan, inclusief bijzondere bijstand op grond van artikel 10 Abw Pro vanaf oktober 2000, omdat zij als woningdeler werd aangemerkt en haar moeder gekort werd op bijstand.
Het College van burgemeester en wethouders van Zutphen stelde het recht op bijstand vast met ingang van 26 maart 2001 en legde een maatregel op van 100% bijstandsweigering gedurende één maand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat bijzondere bijstand ten onrechte werd geweigerd vanaf oktober 2000, dat zij al op 12 maart 2001 bij de sociale dienst was geweest en dat de maatregel onterecht was opgelegd.
De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die een terugwerkende kracht van de bijstandverlening vóór 26 maart 2001 rechtvaardigden en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt zich eerder tot de gemeente te hebben gewend. De beëindiging van de arbeidsverhouding was verwijtbaar, omdat zij zonder uitzicht op werk haar dienstbetrekking beëindigde. De opgelegde maatregel was daarom terecht en proportioneel. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskosten toe aan geen van partijen.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van bijzondere bijstand en de oplegging van een maatregel van 100% bijstandsweigering gedurende één maand wegens verwijtbare beëindiging van de arbeidsverhouding.