ECLI:NL:CRVB:2004:AQ0473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dienstbetrekking tussen transportonderneming en chauffeur zonder eigen vergunning
Appellante, een transportonderneming, maakte gebruik van de diensten van een chauffeur, [betrokkene], die in de periode 1997 tot en met juni 1999 geen eigen vervoersvergunning bezat. Uit een looncontrole bleek dat deze diensten niet in de loonadministratie waren verantwoord. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kwalificeerde de arbeidsverhouding als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waardoor verzekeringsplicht ontstond.
De rechtbank Zutphen oordeelde dat aan de voorwaarden van een dienstbetrekking was voldaan, namelijk de verplichting tot persoonlijke arbeid, loonbetaling en een gezagsverhouding. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onterecht aannam dat [betrokkene] geen personeel had en geen geldige vergunning bezat, en dat er geen gezagsverhouding was omdat zij met de eenmanszaak van [betrokkene] contracteerde en hem vrijheden gaf.
De Raad overwoog dat [betrokkene] persoonlijk verplicht was de werkzaamheden te verrichten en pas vanaf 2000 personeel in dienst had. De loonbetalingsverplichting was aanwezig doordat per rit werd afgerekend. De Raad hechtte grote waarde aan het ontbreken van een eigen vervoersvergunning tot juni 1999, waardoor [betrokkene] afhankelijk was van de vergunning van appellante, wat een sterke indicatie voor gezag vormt. Dit leidde tot de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en afwijzing van het hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsverhouding tussen appellante en chauffeur zonder eigen vervoersvergunning een privaatrechtelijke dienstbetrekking vormt met verzekeringsplicht.