ECLI:NL:CRVB:2004:AQ0941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging pensioen AOW op 10% wegens niet-verzekering volksverzekeringen na remigratie
Appellant, geboren in 1934, heeft in Nederland gewerkt van 1963 tot 1966 en ontving een WAO-uitkering tot zijn 65e jaar. Na zijn remigratie naar Kroatië in 1967 werd hem een AOW-pensioen toegekend van 10% van het maximale gehuwde pensioen, omdat hij volgens de Sociale verzekeringsbank niet verzekerd was voor de volksverzekeringen gedurende bepaalde perioden.
Appellant voerde bezwaar aan dat hij wel verzekerd was omdat hij een WAO-uitkering ontving waarop premies werden ingehouden. De Sociale verzekeringsbank handhaafde het besluit, stellende dat vanwege een soortgelijke uitkering uit Joegoslavië en opeenvolgende Koninklijke Besluiten appellant niet verzekerd was.
De rechtbank onderschreef dit standpunt en adviseerde nader onderzoek naar de gevolgen van ingehouden premies op de WAO-uitkering. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen grond was om af te wijken van de pensioenvaststelling op 10%.
Tenslotte merkte de Raad op dat het bezwaar tegen het besluit over de vrijwillige verzekering nog in behandeling is en dat eventuele vrijwillige verzekeringsperioden bij toekenning van het AOW-pensioen in aanmerking zullen worden genomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant slechts recht heeft op 10% van het maximale AOW-pensioen vanwege niet-verzekering na remigratie.