ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1092

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2134 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 44 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid na galblaasoperatie

Appellante was werkzaam als inpakster en meldde zich ziek wegens buikklachten, waarna zij een galblaasoperatie onderging. Een verzekeringsarts verklaarde haar per 7 februari 2001 arbeidsgeschikt. Op basis hiervan besloot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het ziekengeld stop te zetten.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel omdat er geen medische informatie was die de arbeidsgeschiktheid in twijfel kon trekken.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beoordeling en bevestigde het besluit tot beëindiging van het ziekengeld. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 7 februari 2001 geen ziekengeld meer ontvangt omdat zij niet langer ongeschikt is voor haar arbeid.

Uitspraak

02/2134 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 5 april 2001 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan haar met ingang van 7 februari 2001 geen ziekengeld meer is toegekend, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
Bij besluit van 17 mei 2001(hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 13 maart 2002 (Reg.nr.ZW 01/1257-LAME) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 mei 2004, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W.H.J. Weltevrede, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was vanaf 17 oktober 2000 via een uitzendbureau werkzaam als inpakster bij een koekjesfabriek en heeft zich
27 november 2000 wegens buikklachten ziek gemeld. Zij heeft op 29 november 2000 een galblaasoperatie ondergaan. Terzake van het onderhavige ziektegeval heeft appellante op 29 januari 2001 het spreekuur bezocht van een verzekerings- arts, die haar na onderzoek met ingang van 7 februari 2001 hersteld verklaarde. Na ontvangst van informatie van de huisarts op 30 maart 2001, waaruit bleek dat sprake was geweest van een acute operatie, zodat het bepaalde in artikel 44 van Pro Ziektewet hier niet van toepassing was, is bij besluit van 5 april 2001 aan appellante met ingang van voormelde datum van hersteldverklaring, 7 februari 2001, geen ziekengeld meer toegekend.
In de bezwaarfase is appellante gezien door een bezwaarverzekeringsarts die appellante gelet op de onderzoeksbevindingen eveneens per 7 februari 2001 niet ongeschikt achtte tot het verrichten van haar werk.
Zoals uit de aangevallen uitspraak blijkt heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen en verder in aanmerking genomen dat van de zijde van appellante geen informatie van medische aard is aangevoerd, die op haar arbeidsgeschiktheid per datum in geding een ander licht werpt.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van de door appellante in eerste aanleg opgeworpen, en door de rechtbank bij gebreke van enige medische onderbouwing terecht verworpen, grieven.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.