ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen wegens inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 1991 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf medio 1997 verrichtte hij stapsgewijs werkzaamheden, wat leidde tot een verlaging van zijn uitkering op grond van artikel 44 van Pro de WAO. In 1998 hervatte appellant gedeeltelijk zijn werk en breidde zijn uren uit, wat door de werkgever en appellant zelf werd gemeld.
De uitkeringsinstantie (Uwv) stelde vast dat appellant vanaf 27 september 1998 en 25 oktober 1998 meer inkomsten had dan eerder was aangenomen en paste de uitkering dienovereenkomstig aan. Tevens werd een terugvordering ingesteld van onverschuldigd betaalde uitkering over de periode tot 1 augustus 2000. Appellant betwistte dit en voerde persoonlijke omstandigheden en schending van redelijke termijn bij besluitvorming aan.
De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs kon weten dat de uitbreiding van zijn arbeidsuren invloed had op zijn uitkering, mede omdat hij eerder al met anticumulatie was geconfronteerd. Persoonlijke omstandigheden en de relatief lange duur van de procedure bieden geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Ook is geen schending van artikel 6 EVRM Pro vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen zonder dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.