ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante had een WAO-uitkering toegekend gekregen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar deze werd ingetrokken per 30 september 1998 omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische onderbouwing onvoldoende was en dat de arbeidskundige beoordeling onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een reductiefactor bij de verdiencapaciteit.
De Raad overwoog dat de medische beoordeling zorgvuldig was voorbereid, mede doordat de verzekeringsarts zich baseerde op een eerder lichamelijk onderzoek en rapportage van een andere verzekeringsarts, die ook de beperkingen had aangescherpt. Appellante bracht geen medische stukken aan die twijfel konden zaaien over de vastgestelde beperkingen. De arbeidskundige beoordeling hield rekening met parttime functies passend bij appellantes arbeidssituatie. Het toepassen van een reductiefactor was niet van toepassing omdat de datum van het besluit voor de inwerkingtreding van het Besluit uurloonschatting 1999 lag.
De Raad concludeerde dat de functies met asterisken, die mogelijk de belastbaarheid overschrijden, toch passend waren gemotiveerd. Het overleg tussen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige was adequaat en er was geen reden om aan de geschiktheid van de functies te twijfelen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.