ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WAO-uitkering wegens chronisch vermoeidheidssyndroom ME, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze omdat het verzuim geen verband hield met ziekte of gebrek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank onvoldoende aandacht had besteed aan de medische deskundigenrapporten en de richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (Maoc).
De Raad stelde vast dat hoewel er geen aanwijsbare somatische of psychogene stoornis was, dit niet uitsluit dat er beperkingen kunnen bestaan die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De medische deskundigen hadden niet eenduidig en gemotiveerd vastgesteld dat appellante niet in staat was haar werk te verrichten, waardoor het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
De Centrale Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen.