ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap op peildatum
Appellante verzocht kinderbijslag, maar haar aanvraag werd op 18 februari 2002 afgewezen omdat zij op de peildatum 1 april 2002 niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en daardoor niet verzekerd was op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de kernvraag was of appellante op 1 april 2002 een juridische, economische en sociale binding met Nederland had die voldoende was om haar als ingezetene aan te merken. Hoewel haar sociale binding met Nederland aanzienlijk was (gezin verbleef in Nederland, kinderen volgden onderwijs, echtgenoot volgde inburgeringscursus en verrichtte vrijwilligerswerk), ontbrak een sterke economische binding. Appellante was afhankelijk van een uitkering en beschikte niet over zelfstandige woonruimte.
De Raad concludeerde dat appellante niet als ingezetene kon worden beschouwd omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning en haar aanvraag tot toelating nog niet onherroepelijk was beslist. Het besluit van de Sociale Verzekeringsbank werd daarom terecht bevestigd. Tevens wees de Raad op het beleid dat een verblijfsduur van drie jaar een positieve aanwijzing kan zijn voor ingezetenschap, maar dit was hier niet van toepassing.
De uitspraak werd op 8 juli 2004 in het openbaar gegeven door rechter R.C. Stam, waarbij de beslissing van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De afwijzing van de kinderbijslagaanvraag werd bevestigd omdat appellante op de peildatum niet als ingezetene kon worden aangemerkt.