ECLI:NL:CRVB:2004:AQ3699
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies aan verdiencapaciteit
Appellant, sinds 1991 werkzaam in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden, vroeg per 12 april 2000 een WAO-uitkering aan na arbeidsongeschiktheid vanaf 2 augustus 1999. Gedaagde weigerde de uitkering op grond van minder dan 15% verlies aan verdiencapaciteit, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. Appellant stelde dat zijn beperkingen werden onderschat, mede door nieuwe medische informatie van een orthopeed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen correct waren vastgesteld, waarbij ook de orthopeedinformatie was meegewogen. In hoger beroep voerde appellant aan dat ernstige nekklachten reeds bestonden op de datum van belang, wat tot een volledige WAO-uitkering zou moeten leiden. De Raad volgde dit niet, omdat de nekklachten volgens medische rapporten pas later ontstonden en niet relevant waren voor de datum in geschil.
De Raad concludeerde dat appellant op de datum in kwestie in staat was de passende functies te vervullen en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De weigering van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies aan verdiencapaciteit.