ECLI:NL:CRVB:2004:AQ4472

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/5486 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging correctienota premiejaar 1995 wegens onjuiste feitelijke grondslag

Appellante, een B.V., kwam in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die haar beroep tegen een correctienota van het UWV over de jaren 1995-1997 ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de vraag of de correctienota terecht was gebaseerd op de veronderstelling dat een betrokkene 40 uur voor appellante had gewerkt.

De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 3 december 2003 waarin werd vastgesteld dat de betrokkene vanaf het najaar van 1995 fulltime voor appellante werkte. Dit oordeel staat haaks op de feitelijke grondslag van de correctienota over 1995. Daarom acht de Raad de correctienota over 1995 onjuist en vernietigt het besluit en de uitspraak voor zover deze de correctienota 1995 betreffen.

De overige onderdelen van de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Hiermee wordt het belang van een juiste feitelijke grondslag bij bestuursbesluiten onderstreept.

Uitkomst: De correctienota over 1995 wordt vernietigd wegens onjuiste feitelijke grondslag en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

01/5486 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, op bij beroepschrift (met bijlage) van 8 januari 2002 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen tegen een door de rechtbank Leeuwarden onder dagtekening 13 september 2001, nummer 99/577 CSV, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 23 april 2002 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2004, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. De Goeij voornoemd, terwijl gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In hoger beroep is, gegeven de uitspraak van de rechtbank en de grieven die tegen de aangevallen uitspraak namens appellante naar voren zijn gebracht, uitsluitend in geschil of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat gedaagde zijn correctienota’s die hij aan appellante heeft opgelegd over de jaren 1995 tot en met 1997, hierop mocht baseren dat [betrokkene] gedurende 40 uur voor haar werkzaam is geweest.
Inmiddels heeft de Raad bij uitspraak van 3 december 2003, nummer 01/1369 WW, een oordeel gegeven over een uitkeringskwestie van voornoemde Tamis, welke kwestie zich afspeelde in hetzelfde tijdvak dat in het onderhavige geval aan de orde is.
De Raad heeft in die uitspraak, die partijen bekend is, geoordeeld dat [betrokkene] in elk geval vanaf het najaar van 1995 fulltime voor appellante is gaan werken.
De Raad ziet in hetgeen van de kant van appellante in hoger beroep is aangevoerd, geen grond tot correctie van dit oordeel.
Dit betekent voor de onderhavige zaak dat de correctienota over het premiejaar 1995 een onjuiste feitelijke grondslag heeft.
Het bestreden besluit van 7 juni 1999 en de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit voor zover het de correctienota 1995 betreft in stand is gelaten, komen derhalve voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht gelet op het voorgaande termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep, welke kosten zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 7 juni 1999 voor zover daarin het beroep tegen de correctienota met betrekking tot het premiejaar 1995 ongegrond is verklaard;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644.--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 306,30 (f. 675,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) R.E. Lysen