ECLI:NL:CRVB:2004:AQ4490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5821 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting van 5% wegens te late indiening WAO-uitkeringsaanvraag

Appellant diende een aanvraag voor een WAO-uitkering te laat in, waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een korting van 5% oplegde over de periode van 14 augustus 2001 tot 6 september 2001. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en stelde vast dat appellant niet tijdig had voldaan aan de aanvraagtermijn van negen maanden na aanvang van arbeidsongeschiktheid.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door zijn psychische toestand niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant deze stelling niet met concrete medische gegevens had onderbouwd en dat de rechtbank deze grief afdoende had besproken. Er waren geen dringende redenen om af te zien van de maatregel.

De Raad bevestigde daarom het besluit van het Uwv en zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de korting van 5% bleef van kracht.

Uitkomst: De korting van 5% op de WAO-uitkering wegens te late indiening wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5821 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 14 januari 2002 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 september 2001 waarbij gedaagde aan appellant een maatregel heeft opgelegd, inhoudende de toepassing van een kortingspercentage van 5% gedurende de periode van 14 augustus 2001 tot 6 september 2001, in verband met het te laat indienen van een aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij uitspraak van 25 oktober 2002, nr. 02/167 WAO, heeft de rechtbank Breda het beroep van appellant tegen het besluit van 14 januari 2002 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 14 maart 2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juni 2003, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.
II . MOTIVERING
De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot de conclusie gekomen dat gedaagde terecht heeft vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde om uiterlijk binnen 9 maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid een aanvraag om een uitkering te doen en dat gedaagde derhalve gehouden was aan appellant een maatregel op te leggen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, dan wel dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien.
Appellant houdt ook in hoger beroep staande dat hij het aanvraagformulier WAO te laat heeft ingevuld, omdat hij door zijn psychische toestand daartoe onbekwaam was.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank de grief van appellant afdoende heeft besproken. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank volledig en merkt in aanvulling hierbij op dat appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd en evenmin zijn stelling, dat hij wegens psychische problemen niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen, met concrete medische gegevens heeft onderbouwd.
Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.