ECLI:NL:CRVB:2004:AQ4499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R.C. Stam
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid bestuurder voor kennelijk onbehoorlijk bestuur en onbetaalde premies
Appellante is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies van de vennootschap over de jaren 1992 tot en met 1995, wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur zoals bedoeld in artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De rechtbank Arnhem had dit besluit eerder bevestigd, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat appellante als bestuurder verantwoordelijk is voor het financiële beleid van de vennootschap, ook al stelde zij dat haar echtgenoot feitelijk leiding gaf. Het onderzoek van de Opsporingsdienst van het GAK, neergelegd in een rapport over werkgeversfraude, vormde een voldoende basis voor de conclusie van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit rapport bevatte onder meer administratieve gegevens en verklaringen van ex-werknemers.
Appellante voerde aan dat zij niet over het volledige strafrechtelijke proces-verbaal kon beschikken, terwijl dit wel door gedaagde was gebruikt. De Raad oordeelde echter dat het ontbreken van het integrale proces-verbaal niet tot schending van het equality of arms-beginsel leidde, omdat de conclusie ook op andere feiten en verklaringen steunde. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkheid van appellante voor onbetaalde premies wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.