ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant was het niet eens met de herziening van zijn WAO-uitkering, waarbij zijn arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 25 tot 35%, terwijl eerder een hogere mate van 80 tot 100% was toegekend. Hij voerde aan dat zijn belastbaarheid was overschat en dat hij de voor hem geschikte functies niet kon vervullen.
De rechtbank had het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bevestigd, waarbij de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen hadden vastgesteld dat appellant geschikt was voor bepaalde functies, zoals assemblagemedewerker en monteuse loopwerken in dagdienst. De Raad voegde hieraan toe dat de medische rapporten en onderzoeken geen neurologische oorzaak voor de klachten van appellant aannemelijk maakten en dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de medische geschiedenis.
De Raad oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische en arbeidskundige beoordeling en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand konden blijven. De stelling van appellant dat medicijngebruik voor depressieve klachten niet was meegenomen, werd verworpen omdat dit niet leidde tot een ander oordeel over zijn arbeidsongeschiktheid per 16 juli 2001.
De Raad concludeerde dat de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% terecht was en bevestigde het besluit van het Uwv. De ingebrachte medische stukken uit latere perioden konden in dit geding geen gewicht krijgen.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.