ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WAO-uitkering conform artikel 46 EG-Verordening 1408/71
Appellant, woonachtig in Duitsland, ontving sinds 1975 een WAO-uitkering in Nederland. Na toekenning van een Duitse rente werd de WAO-uitkering verlaagd op grond van nationale anticumulatiebepalingen en artikel 46 van Pro EG-Verordening 1408/71. Diverse eerdere procedures bevestigden deze toepassing.
In bezwaar en beroep betoogde appellant dat anticumulatie niet van toepassing was omdat de rechten in Nederland en Duitsland volgens nationale wetgeving waren verworven. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat gedaagde afzag van herziening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant wel belang heeft en dat de vaststelling van de uitkering volledig conform artikel 46 van Pro de Verordening is. De Raad volgt de rechtspraak van het HvJ EG en wijst het beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen en appellant krijgt een vergoeding van €109,23.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de WAO-uitkering conform artikel 46 van de Verordening blijft gehandhaafd.